BWBR0017230
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 4.17
Rechtspositieregeling lokaal indienstgenomen werknemers 2005
1. De CdP kan naar billijkheid de werknemer schadeloosstellen behalve in gevallen als bedoeld in het tweede lid.
2. Indien de werknemer tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden op de post of tijdens een dienstreis als gevolg van een beroepsziekte of een dienstongeval als bedoeld in artikel 5.10, derde lid, blijvend invalide raakt of overlijdt, wordt desgevraagd aan hem respectievelijk zijn achterblijvende partner of afhankelijke kinderen door HDPO een eenmalige uitkering toegekend overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid.
3. De uitkering bedraagt bij overlijden 1,5 maal en bij blijvende invaliditeit ten hoogste 3 maal het voor de desbetreffende post geldende bruto loonbedrag behorende bij het maximum loonnummer van loonschaal 7, vermenigvuldigd met 12.
4. De uitkering is inclusief eventuele uitkeringen op grond van door de werkgever gesloten of vergoede verzekeringen.
5. De uitkering wordt netto uitgekeerd en daartoe gebruteerd voor de toepassing van de van toepassing zijnde lokale of Nederlandse belastingwetgeving. Hoofdstuk 4, paragraaf 4, is van overeenkomstige toepassing.
6. De hoogte van een bij blijvende invaliditeit toe te kennen uitkering is afhankelijk van de mate van invaliditeit en wordt, met inachtneming van het genoemde maximale bedrag, bepaald overeenkomstig de criteria welke ingevolge de polisvoorwaarden gelden voor de door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gecontracteerde reisorganisatie geboekte reizen.
7. Bij overlijden kan de in het derde lid genoemde uitkering door HDPO naar redelijkheid en billijkheid worden verhoogd indien een op het leven van de werknemer afgesloten levensverzekering niet tot uitkering komt omdat het overlijden het gevolg is van molest die direct samenhangt met de uitoefening van de dienst voor de werkgever. Er is sprake van molest indien de gebeurtenis die leidde tot het ongeval normaliter onverzekerbaar is.
2. Indien de werknemer tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden op de post of tijdens een dienstreis als gevolg van een beroepsziekte of een dienstongeval als bedoeld in artikel 5.10, derde lid, blijvend invalide raakt of overlijdt, wordt desgevraagd aan hem respectievelijk zijn achterblijvende partner of afhankelijke kinderen door HDPO een eenmalige uitkering toegekend overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid.
3. De uitkering bedraagt bij overlijden 1,5 maal en bij blijvende invaliditeit ten hoogste 3 maal het voor de desbetreffende post geldende bruto loonbedrag behorende bij het maximum loonnummer van loonschaal 7, vermenigvuldigd met 12.
4. De uitkering is inclusief eventuele uitkeringen op grond van door de werkgever gesloten of vergoede verzekeringen.
5. De uitkering wordt netto uitgekeerd en daartoe gebruteerd voor de toepassing van de van toepassing zijnde lokale of Nederlandse belastingwetgeving. Hoofdstuk 4, paragraaf 4, is van overeenkomstige toepassing.
6. De hoogte van een bij blijvende invaliditeit toe te kennen uitkering is afhankelijk van de mate van invaliditeit en wordt, met inachtneming van het genoemde maximale bedrag, bepaald overeenkomstig de criteria welke ingevolge de polisvoorwaarden gelden voor de door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gecontracteerde reisorganisatie geboekte reizen.
7. Bij overlijden kan de in het derde lid genoemde uitkering door HDPO naar redelijkheid en billijkheid worden verhoogd indien een op het leven van de werknemer afgesloten levensverzekering niet tot uitkering komt omdat het overlijden het gevolg is van molest die direct samenhangt met de uitoefening van de dienst voor de werkgever. Er is sprake van molest indien de gebeurtenis die leidde tot het ongeval normaliter onverzekerbaar is.