BWBR0017230
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 8.8
Rechtspositieregeling lokaal indienstgenomen werknemers 2005
1. Zowel de werkgever als de werknemer kan de arbeidsovereenkomst onverwijld opzeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij.
2. De partij die de arbeidsovereenkomst onverwijld opzegt zonder een dringende reden of zonder gelijktijdige mededeling van de dringende reden is verplicht tot betaling van een schadevergoeding.
3. De in het tweede lid bedoelde schadevergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen had behoren voort te duren.
4. Als dringende redenen in de zin van het eerste lid worden beschouwd omstandigheden die ten gevolge hebben dat redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden als een van de partijen grovelijk de plichten veronachtzaamt, die de arbeidsovereenkomst hem oplegt.
5. Een rechtsvordering op grond van dit artikel verjaart door verloop van zes maanden na de dag waartegen is opgezegd.
2. De partij die de arbeidsovereenkomst onverwijld opzegt zonder een dringende reden of zonder gelijktijdige mededeling van de dringende reden is verplicht tot betaling van een schadevergoeding.
3. De in het tweede lid bedoelde schadevergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen had behoren voort te duren.
4. Als dringende redenen in de zin van het eerste lid worden beschouwd omstandigheden die ten gevolge hebben dat redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden als een van de partijen grovelijk de plichten veronachtzaamt, die de arbeidsovereenkomst hem oplegt.
5. Een rechtsvordering op grond van dit artikel verjaart door verloop van zes maanden na de dag waartegen is opgezegd.