BWBR0017230
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 1.5
Rechtspositieregeling lokaal indienstgenomen werknemers 2005
1. De CdP van een ambassade stelt, in samenwerking met 3W en na overleg met de CdP’s van eventuele andere posten binnen zijn ambtsgebied, voor zijn post en de eventuele andere posten binnen zijn ambtsgebied een postuitwerking op.
2. In de postuitwerking worden zodanige arbeidsvoorwaarden en daarmee verbandhoudende voorzieningen opgenomen, dat deze, tezamen met de op grond van deze regeling en <a href="/wet/BWBR0004052" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk XVIII van het RDBZ</a>geldende arbeidsvoorwaarden en voorzieningen, een geheel opleveren van arbeidsvoorwaarden en daarmee verbandhoudende voorzieningen overeenkomstig lokaal gebruik.
3. De CdP van een ambassade kan, na overleg met de CdP’s van eventuele andere posten binnen zijn ambtsgebied, aan 3W een wijzigingsvoorstel voor de postuitwerking doen zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
4. Vaststelling van de postuitwerking of van een wijziging van de postuitwerking geschiedt door HDPO. HDPO stelt de postuitwerking of wijziging pas vast nadat:
a. het medezeggenschapsorgaan van de post dan wel posten door de desbetreffende CdP dan wel CdP’s in de gelegenheid is gesteld een advies uit te brengen; en
b. er overeenstemming is bereikt met de in artikel 142 van het RDBZ bedoelde centrales van verenigingen van ambtenaren.
5. HDPO kan de CdP van een ambassade omtrent het opstellen van de postuitwerking of een wijziging daarvan aanwijzingen geven.
2. In de postuitwerking worden zodanige arbeidsvoorwaarden en daarmee verbandhoudende voorzieningen opgenomen, dat deze, tezamen met de op grond van deze regeling en <a href="/wet/BWBR0004052" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk XVIII van het RDBZ</a>geldende arbeidsvoorwaarden en voorzieningen, een geheel opleveren van arbeidsvoorwaarden en daarmee verbandhoudende voorzieningen overeenkomstig lokaal gebruik.
3. De CdP van een ambassade kan, na overleg met de CdP’s van eventuele andere posten binnen zijn ambtsgebied, aan 3W een wijzigingsvoorstel voor de postuitwerking doen zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
4. Vaststelling van de postuitwerking of van een wijziging van de postuitwerking geschiedt door HDPO. HDPO stelt de postuitwerking of wijziging pas vast nadat:
a. het medezeggenschapsorgaan van de post dan wel posten door de desbetreffende CdP dan wel CdP’s in de gelegenheid is gesteld een advies uit te brengen; en
b. er overeenstemming is bereikt met de in artikel 142 van het RDBZ bedoelde centrales van verenigingen van ambtenaren.
5. HDPO kan de CdP van een ambassade omtrent het opstellen van de postuitwerking of een wijziging daarvan aanwijzingen geven.