BWBR0017230
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 9.4
Rechtspositieregeling lokaal indienstgenomen werknemers 2005
1. Indien er gedurende een periode van de arbeidsovereenkomst geen verzekering of vergelijkbare voorziening die voorziet in de opbouw van een oudedagsvoorziening, als bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, is afgesloten, heeft de voormalig werknemer recht op een suppletie op oudedagsvoorzieningen indien zijn arbeidsovereenkomst ten minste zeven jaren heeft geduurd. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder arbeidsovereenkomst tevens verstaan:
a. voor de periode vóór 1 januari 2005: de verschillende arbeidsovereenkomsten die elkaar met tussenpozen van niet meer dan 31 dagen zijn opgevolgd;
b. voor de periode vanaf 1 januari 2005: de verschillende arbeidsovereenkomsten die elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden zijn opgevolgd.
2. Voor de in het eerste lid bedoelde suppletie geldt als suppletieplafond het bedrag, gelijk aan:
a. voor de periode van de arbeidsovereenkomst vóór 1 januari 2005: 1,75% van de suppletiegrondslag vermenigvuldigd met de suppletiediensttijd;
b. voor de periode van de arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2005: 1,5% van de suppletiegrondslag vermenigvuldigd met de suppletiediensttijd.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde voorzieningen in ieder geval verstaan alle voorzieningen uit de socialeverzekeringswetgeving waarop de werknemer recht heeft of recht gehad zou hebben indien de werknemer tot aan de pensioendatum zoals die overeenkomstig lokaal voorschrift voor hem geldt, zijn werkzaamheden bij de post zou hebben voorgezet:
a. tenzij hij daarvoor op uitsluitend vrijwillige basis premie heeft betaald zonder enige bijdrage van de werkgever;
b. tenzij en voor zover dit recht is opgebouwd gedurende een periode liggende buiten de periode van de arbeidsovereenkomst.
4. De in het eerste lid bedoelde suppletie wordt aan de voormalig werknemer toegekend met ingang van de pensioendatum dan wel, indien aansluitend aan de pensioendatum de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet, met ingang van de dag dat die arbeidsovereenkomst is geëindigd, echter niet op een leeftijd die lager is dan 60 jaar. De toekenning eindigt met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op de maand van overlijden van de voormalig werknemer.
a. voor de periode vóór 1 januari 2005: de verschillende arbeidsovereenkomsten die elkaar met tussenpozen van niet meer dan 31 dagen zijn opgevolgd;
b. voor de periode vanaf 1 januari 2005: de verschillende arbeidsovereenkomsten die elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden zijn opgevolgd.
2. Voor de in het eerste lid bedoelde suppletie geldt als suppletieplafond het bedrag, gelijk aan:
a. voor de periode van de arbeidsovereenkomst vóór 1 januari 2005: 1,75% van de suppletiegrondslag vermenigvuldigd met de suppletiediensttijd;
b. voor de periode van de arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2005: 1,5% van de suppletiegrondslag vermenigvuldigd met de suppletiediensttijd.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde voorzieningen in ieder geval verstaan alle voorzieningen uit de socialeverzekeringswetgeving waarop de werknemer recht heeft of recht gehad zou hebben indien de werknemer tot aan de pensioendatum zoals die overeenkomstig lokaal voorschrift voor hem geldt, zijn werkzaamheden bij de post zou hebben voorgezet:
a. tenzij hij daarvoor op uitsluitend vrijwillige basis premie heeft betaald zonder enige bijdrage van de werkgever;
b. tenzij en voor zover dit recht is opgebouwd gedurende een periode liggende buiten de periode van de arbeidsovereenkomst.
4. De in het eerste lid bedoelde suppletie wordt aan de voormalig werknemer toegekend met ingang van de pensioendatum dan wel, indien aansluitend aan de pensioendatum de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet, met ingang van de dag dat die arbeidsovereenkomst is geëindigd, echter niet op een leeftijd die lager is dan 60 jaar. De toekenning eindigt met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op de maand van overlijden van de voormalig werknemer.