BWBR0017230
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 9.2
Rechtspositieregeling lokaal indienstgenomen werknemers 2005
1. De werknemer, voormalig werknemer dan wel nabestaande is verplicht tijdig de werkgever alle informatie te verstrekken die van belang is voor een goede uitvoering van dit hoofdstuk. Indien hij zich hier niet aan houdt, vervallen alle rechten op grond van dit hoofdstuk en is hij aansprakelijk voor door de werkgever hierdoor geleden schade.
2. De voormalig werknemer dan wel de nabestaande is verplicht bij de werkgever jaarlijks in de maand januari een schriftelijk bewijs van in leven zijn in te dienen. Indien en voor zolang de in de eerste volzin bedoelde persoon geen bewijs van in leven indient, kan de CdP de uitbetaling van de suppletie opschorten totdat een dergelijk bewijs is ontvangen.
3. De werkgever is niet aansprakelijk indien een oudedags-, nabestaanden- of arbeidsongeschiktheidsvoorziening dan wel suppletie niet of niet juist is vastgesteld, doordat de werknemer, voormalig werknemer dan wel nabestaande niet, niet juist of niet tijdig aan de voor hem uit dit hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
4. Indien door het zich niet houden aan een voorschrift dat voor het verkrijgen van een uitkering voor de oudedag, wegens overlijden of wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid op grond van het voor de werknemer, voormalig werknemer dan wel nabestaande van toepassing zijnde stelsel van sociale zekerheid gevolgd dient te worden geen sociale zekerheidsuitkering wordt toegekend, bestaat geen recht op suppletie op grond van dit hoofdstuk.
5. Indien door het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in het derde lid, een lagere sociale zekerheidsuitkering wordt toegekend of de sociale zekerheidsuitkering later wordt toegekend, wordt het hierdoor niet toegekende uitkeringsbedrag op het suppletieplafond in mindering gebracht.
6. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien het zich niet houden aan het voorschrift de werknemer, voormalig werknemer dan wel nabestaande redelijkerwijs niet kan worden verweten.
2. De voormalig werknemer dan wel de nabestaande is verplicht bij de werkgever jaarlijks in de maand januari een schriftelijk bewijs van in leven zijn in te dienen. Indien en voor zolang de in de eerste volzin bedoelde persoon geen bewijs van in leven indient, kan de CdP de uitbetaling van de suppletie opschorten totdat een dergelijk bewijs is ontvangen.
3. De werkgever is niet aansprakelijk indien een oudedags-, nabestaanden- of arbeidsongeschiktheidsvoorziening dan wel suppletie niet of niet juist is vastgesteld, doordat de werknemer, voormalig werknemer dan wel nabestaande niet, niet juist of niet tijdig aan de voor hem uit dit hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
4. Indien door het zich niet houden aan een voorschrift dat voor het verkrijgen van een uitkering voor de oudedag, wegens overlijden of wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid op grond van het voor de werknemer, voormalig werknemer dan wel nabestaande van toepassing zijnde stelsel van sociale zekerheid gevolgd dient te worden geen sociale zekerheidsuitkering wordt toegekend, bestaat geen recht op suppletie op grond van dit hoofdstuk.
5. Indien door het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in het derde lid, een lagere sociale zekerheidsuitkering wordt toegekend of de sociale zekerheidsuitkering later wordt toegekend, wordt het hierdoor niet toegekende uitkeringsbedrag op het suppletieplafond in mindering gebracht.
6. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien het zich niet houden aan het voorschrift de werknemer, voormalig werknemer dan wel nabestaande redelijkerwijs niet kan worden verweten.