BWBR0027666
Geldig vanaf 2007-03-01
Artikel 46
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007
1. Aan de ambtenaar wiens partner vanwege een andere dan een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, niet op de standplaats verblijft, wordt per aaneengesloten periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, de mogelijkheid tot gezinshereniging geboden door middel van het verstrekken van een ticket overeenkomstig de artikelen 6en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017voor een reis in voornoemde periode, met inachtneming van het tweede tot en met het zesde lid.
2. Het ticket heeft betrekking op het traject tussen de vaste verblijfplaats van de partner en de standplaats van de ambtenaar vice versa dan wel van de standplaats naar die vaste verblijfplaats.
3. De aanspraak op tickets vervalt na afloop van de desbetreffende periode van twaalf maanden.
4. In afwijking van het eerste lid kan op verzoek van de ambtenaar of zijn in het eerste lid bedoelde partner de in het eerste lid bedoelde reis geheel of gedeeltelijk met de auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 24, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Op de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen de desbetreffende periode van twaalf maanden wordt of is beëindigd.
6. Indien op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het vijfde lid geen aanspraak bestaat, wordt het hierop betrekking hebbende bedrag teruggevorderd, tenzij de ambtenaar ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing.
2. Het ticket heeft betrekking op het traject tussen de vaste verblijfplaats van de partner en de standplaats van de ambtenaar vice versa dan wel van de standplaats naar die vaste verblijfplaats.
3. De aanspraak op tickets vervalt na afloop van de desbetreffende periode van twaalf maanden.
4. In afwijking van het eerste lid kan op verzoek van de ambtenaar of zijn in het eerste lid bedoelde partner de in het eerste lid bedoelde reis geheel of gedeeltelijk met de auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 24, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Op de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen de desbetreffende periode van twaalf maanden wordt of is beëindigd.
6. Indien op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het vijfde lid geen aanspraak bestaat, wordt het hierop betrekking hebbende bedrag teruggevorderd, tenzij de ambtenaar ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing.