BWBR0027666
Geldig vanaf 2007-03-01
Artikel 47
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007
1. Op de in de
artikelen 48 tot en met 52bedoelde voorzieningen heeft aanspraak de ambtenaar wiens afhankelijk kind vanwege een erkende reden niet tot zijn huishouding behoort.
2. Van een erkende reden kan slechts sprake zijn indien een kind:
a. op de vorige standplaats voor het volgen van onderwijs is achtergebleven ter afronding van het schooljaar;
b. is vooruit gereisd naar de volgende standplaats om vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar het onderwijs aldaar te volgen;
c. niet op de standplaats verblijft in verband met het ontbreken van passende onderwijsmogelijkheden op de standplaats, rekening houdende met het door het kind tot dan toe gevolgde onderwijs;
d. niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een verblijf op de standplaats niet toelaten.
3. De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat niet indien:
a. de partner niet tot de huishouding van de ambtenaar behoort, of
b. het kind uit een eerder huwelijk of eerdere andere relatie is voortgekomen en de verzorging van dat kind niet in het bijzonder aan de ambtenaar is opgedragen.
4. a. Op de in artikel 53 bedoelde voorziening heeft aanspraak de ambtenaar wiens afhankelijk kind niet tot zijn huishouding behoort.
b. Onderdeel a is van overeenkomstige toepassing indien het kind voortkomt uit een eerder huwelijk of een eerdere andere relatie, mits het kind overigens voldoet aan één van de in artikel 1, onder l, 1° tot en met 3°, genoemde voorwaarden.
5. De ambtenaar heeft voor een afhankelijk kind, in afwijking van artikel 15, eerste en tweede lid, aanspraak op de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verhoging van zijn standplaatstoelage, inclusief het in artikel 17bedoelde gedeelte van de standplaatstoelage dat voor koopkracht wordt gecorrigeerd voor zover dit betrekking heeft op een kind, indien:
a. hij in aanmerking komt voor voorzieningen op grond van artikel 44, tweede lid, en het kind bij zijn partner verblijft; of
b. het kind op grond van het tweede lid, onder a of b, op de vorige standplaats is achtergebleven of vooruit is gereisd naar de volgende standplaats.
artikelen 48 tot en met 52bedoelde voorzieningen heeft aanspraak de ambtenaar wiens afhankelijk kind vanwege een erkende reden niet tot zijn huishouding behoort.
2. Van een erkende reden kan slechts sprake zijn indien een kind:
a. op de vorige standplaats voor het volgen van onderwijs is achtergebleven ter afronding van het schooljaar;
b. is vooruit gereisd naar de volgende standplaats om vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar het onderwijs aldaar te volgen;
c. niet op de standplaats verblijft in verband met het ontbreken van passende onderwijsmogelijkheden op de standplaats, rekening houdende met het door het kind tot dan toe gevolgde onderwijs;
d. niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een verblijf op de standplaats niet toelaten.
3. De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat niet indien:
a. de partner niet tot de huishouding van de ambtenaar behoort, of
b. het kind uit een eerder huwelijk of eerdere andere relatie is voortgekomen en de verzorging van dat kind niet in het bijzonder aan de ambtenaar is opgedragen.
4. a. Op de in artikel 53 bedoelde voorziening heeft aanspraak de ambtenaar wiens afhankelijk kind niet tot zijn huishouding behoort.
b. Onderdeel a is van overeenkomstige toepassing indien het kind voortkomt uit een eerder huwelijk of een eerdere andere relatie, mits het kind overigens voldoet aan één van de in artikel 1, onder l, 1° tot en met 3°, genoemde voorwaarden.
5. De ambtenaar heeft voor een afhankelijk kind, in afwijking van artikel 15, eerste en tweede lid, aanspraak op de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verhoging van zijn standplaatstoelage, inclusief het in artikel 17bedoelde gedeelte van de standplaatstoelage dat voor koopkracht wordt gecorrigeerd voor zover dit betrekking heeft op een kind, indien:
a. hij in aanmerking komt voor voorzieningen op grond van artikel 44, tweede lid, en het kind bij zijn partner verblijft; of
b. het kind op grond van het tweede lid, onder a of b, op de vorige standplaats is achtergebleven of vooruit is gereisd naar de volgende standplaats.