BWBR0027666
Geldig vanaf 2007-03-01
Artikel 53
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007
1. Aan de ambtenaar wiens partner vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 42, tweede lid, of afhankelijk kind niet op de standplaats verblijft, wordt ten behoeve van die partner of dat kind de mogelijkheid tot gezinshereniging geboden.
2. De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het per periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, verstrekken aan de ambtenaar van ten hoogste het aantal tickets overeenkomstig de artikelen 6en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017dat nodig is om zijn in het eerste lid bedoelde gezinsleden in staat te stellen hem in die periode eenmaal te bezoeken. De tickets kunnen uitsluitend betrekking hebben op het traject van de vaste verblijfsplaats(en) van bedoelde gezinsleden naar de standplaats vice versa dan wel van de standplaats naar die verblijfplaats(en).
3. De aanspraak op tickets vervalt zes maanden na afloop van de desbetreffende periode van zes maanden.
4. In afwijking van het eerste lid kan op verzoek van een van de in het eerste lid bedoelde gezinsleden of de ambtenaar de in het eerste lid bedoelde reis geheel of gedeeltelijk met de auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 24, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. a. Op de in dit artikel bedoelde voorzieningen bestaat geen aanspraak indien binnen de desbetreffende periode van zes maanden: 1°. de plaatsing wordt of is beëindigd;
2°. het betrokken kind de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken dan wel om andere redenen geen afhankelijk kind meer is of zal zijn.
1°. de plaatsing wordt of is beëindigd;
2°. het betrokken kind de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken dan wel om andere redenen geen afhankelijk kind meer is of zal zijn.
b. Artikel 24, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. In een geval als bedoeld in artikel 1, vierde lid, kan de als enig rechthebbende aangemerkte ouder afstand doen van de aanspraak op een gezinsherenigingsreis als bedoeld in dit artikel, ten gunste van de bij een andere post geplaatste ambtenaar die tevens ouder is van het kind.
7. Indien de in het tweede lid bedoelde keuze tot onevenredig hoge kosten leidt in vergelijking met alternatieve reisschema's, kan worden besloten dat ten hoogste de kosten van een passend te achten alternatief reisschema voor vergoeding in aanmerking komen.
2. De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het per periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, verstrekken aan de ambtenaar van ten hoogste het aantal tickets overeenkomstig de artikelen 6en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017dat nodig is om zijn in het eerste lid bedoelde gezinsleden in staat te stellen hem in die periode eenmaal te bezoeken. De tickets kunnen uitsluitend betrekking hebben op het traject van de vaste verblijfsplaats(en) van bedoelde gezinsleden naar de standplaats vice versa dan wel van de standplaats naar die verblijfplaats(en).
3. De aanspraak op tickets vervalt zes maanden na afloop van de desbetreffende periode van zes maanden.
4. In afwijking van het eerste lid kan op verzoek van een van de in het eerste lid bedoelde gezinsleden of de ambtenaar de in het eerste lid bedoelde reis geheel of gedeeltelijk met de auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 24, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. a. Op de in dit artikel bedoelde voorzieningen bestaat geen aanspraak indien binnen de desbetreffende periode van zes maanden: 1°. de plaatsing wordt of is beëindigd;
2°. het betrokken kind de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken dan wel om andere redenen geen afhankelijk kind meer is of zal zijn.
1°. de plaatsing wordt of is beëindigd;
2°. het betrokken kind de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken dan wel om andere redenen geen afhankelijk kind meer is of zal zijn.
b. Artikel 24, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. In een geval als bedoeld in artikel 1, vierde lid, kan de als enig rechthebbende aangemerkte ouder afstand doen van de aanspraak op een gezinsherenigingsreis als bedoeld in dit artikel, ten gunste van de bij een andere post geplaatste ambtenaar die tevens ouder is van het kind.
7. Indien de in het tweede lid bedoelde keuze tot onevenredig hoge kosten leidt in vergelijking met alternatieve reisschema's, kan worden besloten dat ten hoogste de kosten van een passend te achten alternatief reisschema voor vergoeding in aanmerking komen.