BWBR0027666
Geldig vanaf 2007-03-01
Artikel 54
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar:
a. wiens plaatsing bij een post wordt of is beëindigd, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan werd bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden; of
b. wiens plaatsing in Nederland wordt of is beëindigd vanwege een besluit tot plaatsing bij een post, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan wordt bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden.
2. Voor de toepassing van de artikelen 57 tot en met 63, 67, 68 tot en met 70en 74geldt de eerste tandempartner als de ambtenaar en geldt de tweede tandempartner als de partner van de eerste tandempartner.
3. De aanspraak op de in de artikelen 57 tot en met 59bedoelde voorzieningen ontstaat op het moment waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet en vervalt indien de in artikel 57bedoelde overplaatsingsreis niet binnen een als redelijk te achten korte termijn heeft plaatsgevonden.
4. De aanspraak op de in de artikelen 61 tot en met 65bedoelde voorzieningen ontstaat op het moment waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet en vervalt indien daarvan binnen drie maanden na bedoeld moment geen gebruik is gemaakt. Het transport en de aflevering van de boedel, bedoeld in artikel 60, dienen plaats te hebben gevonden binnen een periode van negen maanden, gerekend vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan.
a. wiens plaatsing bij een post wordt of is beëindigd, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan werd bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden; of
b. wiens plaatsing in Nederland wordt of is beëindigd vanwege een besluit tot plaatsing bij een post, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan wordt bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden.
2. Voor de toepassing van de artikelen 57 tot en met 63, 67, 68 tot en met 70en 74geldt de eerste tandempartner als de ambtenaar en geldt de tweede tandempartner als de partner van de eerste tandempartner.
3. De aanspraak op de in de artikelen 57 tot en met 59bedoelde voorzieningen ontstaat op het moment waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet en vervalt indien de in artikel 57bedoelde overplaatsingsreis niet binnen een als redelijk te achten korte termijn heeft plaatsgevonden.
4. De aanspraak op de in de artikelen 61 tot en met 65bedoelde voorzieningen ontstaat op het moment waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet en vervalt indien daarvan binnen drie maanden na bedoeld moment geen gebruik is gemaakt. Het transport en de aflevering van de boedel, bedoeld in artikel 60, dienen plaats te hebben gevonden binnen een periode van negen maanden, gerekend vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan.