BWBR0027666
Geldig vanaf 2007-03-01
Artikel 95
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007
1. Voor de ambtenaar wiens afhankelijk kind op 28 februari 2007 primair of secundair onderwijs volgt en daarvoor op grond van artikel 22 of 83 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel een vergoeding ontvangt, worden, indien dat afhankelijk kind op 28 februari 2007 primair of secundair internationaal onderwijs volgt in het Britse of Amerikaanse schoolsysteem en dat kind datzelfde type onderwijs na die datum vervolgt, in afwijking van artikel 77, tweede lid, de kosten vergoed die door de desbetreffende onderwijsinstelling voor dat onderwijs in rekening worden gebracht.
2. Voor de ambtenaar wiens afhankelijk kind op 28 februari 2007 tertiair onderwijs volgt en daarvoor op grond van artikel 22 of 83 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel een vergoeding ontvangt, wordt die vergoeding voor het afronden binnen de voor de studie geldende studieduur van de op dat moment gevolgde bachelor- dan wel masteropleiding ook nadien toegekend overeenkomstig de artikelen 22 of 83 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel zoals deze luidden op 28 februari 2007. Voor het bepalen van de resterende studieduur wordt geen rekening gehouden met opgelopen studievertraging voor inwerkingtreding van deze regeling.
3. Voor de ambtenaar wiens afhankelijk kind een bacheloropleiding is aangevangen op of na 1 maart 2007 maar vóór 1 januari 2008, worden, onverminderd het bepaalde in artikel 19, tweede lid, voor de duur van die studie vergoed de onderwijskosten, bedoeld in artikel 19, eerste lid, tot ten hoogste het in bijlage B, onder 28, vermelde bedrag.
4. In afwijking van het derde lid worden indien een afhankelijk kind Engelstalig tertiair onderwijs volgt aan een onderwijsinstelling in het Verenigd Koninkrijk en dat kind door de onderwijsinstelling, ondanks het door de ambtenaar of dat kind bij het daartoe bevoegde adviesorgaan in het Verenigd Koninkrijk tijdig en deugdelijk aangevraagde advies, niet wordt aangemerkt als EU-student, ten hoogste vergoed de door de University of Bristol dan wel de University College of Londen voor de opleiding of een vergelijkbare opleiding in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 19, eerste lid.
5. De hoogte van de in het derde lid bedoelde bedrag wordt jaarlijks vastgesteld op het bedrag dat door onderwijsinstellingen in het Verenigd Koninkrijk voor het eerstvolgende studiejaar in rekening pleegt te worden gebracht voor het volgen van tertiair onderwijs door een EU-student.
6. Onder EU-student wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: een kind dat tertiair onderwijs volgt bij een onderwijsinstelling in het Verenigd Koninkrijk en door die instelling als EU-student wordt aangemerkt.
2. Voor de ambtenaar wiens afhankelijk kind op 28 februari 2007 tertiair onderwijs volgt en daarvoor op grond van artikel 22 of 83 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel een vergoeding ontvangt, wordt die vergoeding voor het afronden binnen de voor de studie geldende studieduur van de op dat moment gevolgde bachelor- dan wel masteropleiding ook nadien toegekend overeenkomstig de artikelen 22 of 83 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel zoals deze luidden op 28 februari 2007. Voor het bepalen van de resterende studieduur wordt geen rekening gehouden met opgelopen studievertraging voor inwerkingtreding van deze regeling.
3. Voor de ambtenaar wiens afhankelijk kind een bacheloropleiding is aangevangen op of na 1 maart 2007 maar vóór 1 januari 2008, worden, onverminderd het bepaalde in artikel 19, tweede lid, voor de duur van die studie vergoed de onderwijskosten, bedoeld in artikel 19, eerste lid, tot ten hoogste het in bijlage B, onder 28, vermelde bedrag.
4. In afwijking van het derde lid worden indien een afhankelijk kind Engelstalig tertiair onderwijs volgt aan een onderwijsinstelling in het Verenigd Koninkrijk en dat kind door de onderwijsinstelling, ondanks het door de ambtenaar of dat kind bij het daartoe bevoegde adviesorgaan in het Verenigd Koninkrijk tijdig en deugdelijk aangevraagde advies, niet wordt aangemerkt als EU-student, ten hoogste vergoed de door de University of Bristol dan wel de University College of Londen voor de opleiding of een vergelijkbare opleiding in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 19, eerste lid.
5. De hoogte van de in het derde lid bedoelde bedrag wordt jaarlijks vastgesteld op het bedrag dat door onderwijsinstellingen in het Verenigd Koninkrijk voor het eerstvolgende studiejaar in rekening pleegt te worden gebracht voor het volgen van tertiair onderwijs door een EU-student.
6. Onder EU-student wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: een kind dat tertiair onderwijs volgt bij een onderwijsinstelling in het Verenigd Koninkrijk en door die instelling als EU-student wordt aangemerkt.