BWBR0027666
Geldig vanaf 2007-03-01
Artikel 24
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007
1. Per periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, wordt hem een vliegticket of een treinticket verstrekt overeenkomstig de artikelen 6en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017voor een reis, te ondernemen in die periode van twaalf maanden, van de standplaats naar Nederland vice versa voor hem en zijn gezinsleden waarvoor hij in die periode een verhoging van zijn standplaatstoelage ontvangt op grond van de artikelen 14en 15.
2. Op verzoek van de ambtenaar kan de in het eerste lid bedoelde periode door de CdP worden verlengd met een periode van ten hoogste drie maanden, mits het dienstbelang zich daartegen naar het oordeel van de CdP niet verzet. Ook ingeval van verlenging vindt vaststelling van de volgende periode(n) van twaalf maanden plaats op de in het eerste lid genoemde wijze. Indien de verzoeker de CdP zelf is, beslist diens plaatsvervanger over het ingediende verzoek.
3. Indien voor de in het eerste lid bedoelde reis een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 30 kilo.
4. Indien de ambtenaar of een gezinslid in afwijking van het eerste lid de reis geheel of gedeeltelijk met de auto maakt, wordt een vergoeding van € 0,28 per gereden kilometer toegekend voor ten hoogste de kortste route tussen de standplaats en Den Haag vice versa en de noodzakelijk gemaakte kosten voor tolwegen en veerdiensten. De in de vorige volzin bedoelde vergoeding wordt toegekend voor ten hoogste twee auto’s.
5. De in het vierde lid bedoelde vergoeding is niet hoger dan de kosten van aankoop van het in het eerste lid bedoelde ticket, indien dit zou zijn verstrekt. De leeftijd van een afhankelijk kind wordt daarbij bepaald op de leeftijd op de dag waarop de ambtenaar zijn reis vanaf de standplaats aanvangt.
6. Op de in dit artikel bedoelde voorzieningen bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen de desbetreffende periode van twaalf maanden wordt of is beëindigd.
7. Indien aan de ambtenaar op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het zesde lid geen aanspraak bestaat, worden de hierop betrekking hebbende bedragen teruggevorderd, tenzij de ambtenaar:
a. ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing; dan wel
b. naar een andere post wordt overgeplaatst, de overplaatsingsreis niet via Nederland plaatsvindt en er overigens geen redenen zijn om terug te vorderen.
2. Op verzoek van de ambtenaar kan de in het eerste lid bedoelde periode door de CdP worden verlengd met een periode van ten hoogste drie maanden, mits het dienstbelang zich daartegen naar het oordeel van de CdP niet verzet. Ook ingeval van verlenging vindt vaststelling van de volgende periode(n) van twaalf maanden plaats op de in het eerste lid genoemde wijze. Indien de verzoeker de CdP zelf is, beslist diens plaatsvervanger over het ingediende verzoek.
3. Indien voor de in het eerste lid bedoelde reis een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 30 kilo.
4. Indien de ambtenaar of een gezinslid in afwijking van het eerste lid de reis geheel of gedeeltelijk met de auto maakt, wordt een vergoeding van € 0,28 per gereden kilometer toegekend voor ten hoogste de kortste route tussen de standplaats en Den Haag vice versa en de noodzakelijk gemaakte kosten voor tolwegen en veerdiensten. De in de vorige volzin bedoelde vergoeding wordt toegekend voor ten hoogste twee auto’s.
5. De in het vierde lid bedoelde vergoeding is niet hoger dan de kosten van aankoop van het in het eerste lid bedoelde ticket, indien dit zou zijn verstrekt. De leeftijd van een afhankelijk kind wordt daarbij bepaald op de leeftijd op de dag waarop de ambtenaar zijn reis vanaf de standplaats aanvangt.
6. Op de in dit artikel bedoelde voorzieningen bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen de desbetreffende periode van twaalf maanden wordt of is beëindigd.
7. Indien aan de ambtenaar op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het zesde lid geen aanspraak bestaat, worden de hierop betrekking hebbende bedragen teruggevorderd, tenzij de ambtenaar:
a. ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing; dan wel
b. naar een andere post wordt overgeplaatst, de overplaatsingsreis niet via Nederland plaatsvindt en er overigens geen redenen zijn om terug te vorderen.