BWBR0027666
Geldig vanaf 2007-03-01
Artikel 50
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007
1. Indien een afhankelijk kind vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 47, tweede lid, zelfstandig is gehuisvest, wordt aan de ambtenaar een tegemoetkoming in de kosten daarvan toegekend, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid.
2. Van zelfstandig gehuisvest zijn is sprake indien het kind woont:
a. in een gehuurde kamer, voor zover deze zich niet bevindt in de woning van de partner, van een gewezen partner of van een afhankelijk kind van de ambtenaar of van zijn (gewezen) partner;
b. op de campus van de instelling waarbij het kind onderwijs volgt;
c. in een appartement of andere woning;
d. in andere als zelfstandig aangemerkte huisvesting.
3. a. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt het in bijlage B, onder 19, vermelde bedrag per kind per maand.
b. Het onder a bedoelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het deel ‘huisvesting, water en energie’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
4. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt toegekend met ingang van de dag dat de zelfstandige huisvesting van het kind aanvangt en eindigt met ingang van de dag dat het kind de zelfstandige huisvesting definitief heeft beëindigd.
5. Zolang een andere persoon die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot het kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, bestaat geen aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van zelfstandige huisvesting, tenzij de ambtenaar is gescheiden en als enige de voogdij heeft over het niet op de standplaats verblijvende kind.
2. Van zelfstandig gehuisvest zijn is sprake indien het kind woont:
a. in een gehuurde kamer, voor zover deze zich niet bevindt in de woning van de partner, van een gewezen partner of van een afhankelijk kind van de ambtenaar of van zijn (gewezen) partner;
b. op de campus van de instelling waarbij het kind onderwijs volgt;
c. in een appartement of andere woning;
d. in andere als zelfstandig aangemerkte huisvesting.
3. a. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt het in bijlage B, onder 19, vermelde bedrag per kind per maand.
b. Het onder a bedoelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het deel ‘huisvesting, water en energie’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
4. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt toegekend met ingang van de dag dat de zelfstandige huisvesting van het kind aanvangt en eindigt met ingang van de dag dat het kind de zelfstandige huisvesting definitief heeft beëindigd.
5. Zolang een andere persoon die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot het kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, bestaat geen aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van zelfstandige huisvesting, tenzij de ambtenaar is gescheiden en als enige de voogdij heeft over het niet op de standplaats verblijvende kind.