BWBR0006509
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 179
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. eerste richtlijn schadeverzekering: eerste richtlijn nr. 73/239/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PbEG L 228);
b. eerste richtlijn levensverzekering: eerste richtlijn nr. 79/267/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (PbEG L 63).
2. Onze Minister kan, ter uitvoering van artikel 29ter, vijfde lid, van de eerste richtlijn schadeverzekering en artikel 32ter, vijfde lid, van de eerste richtlijn levensverzekering bepalen dat met ingang van een door hem te bepalen tijdstip ondernemingen met zetel in een door hem aan te wijzen staat buiten de Unie, alvorens zij een deelneming verwerven in een onderneming met zetel in Nederland die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, waardoor deze hun dochtermaatschappij wordt, hem daarvan schriftelijk in kennis stellen.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt met ingang van het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, Onze Minister desgevraagd in kennis van elke aanvraag van een eerste vergunning, ingediend door een dochtermaatschappij met zetel in Nederland van een onderneming met zetel in de door Onze Minister ingevolge het tweede lid aangewezen staat.
4. Onze Minister kan, ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 29ter, vierde lid, tweede alinea, van de eerste richtlijn schadeverzekering en artikel 32ter, vierde lid, tweede alinea, van de eerste richtlijn levensverzekering, bepalen dat met ingang van een door hem te bepalen tijdstip:
a. het aan ondernemingen met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat buiten de Unie is verboden een deelneming te verwerven in een onderneming met zetel in Nederland die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, indien deze daardoor dochtermaatschappij van de betrokken onderneming wordt; en
b. de Pensioen- & Verzekeringskamer met betrekking tot ondernemingen met zetel in Nederland die dochtermaatschappij zijn van een onderneming met zetel in de ingevolge onderdeel a aangewezen staat en die voor de eerste maal een vergunning aanvragen, haar beslissingen op deze aanvragen opschort dan wel aan niet meer dan een door Onze Minister te bepalen aantal van deze ondernemingen een vergunning verleent.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop een beperking van het aantal ondernemingen waaraan een vergunning mag worden verleend als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, moet worden toegepast.
6. Onze Minister bepaalt het tijdstip waarop de maatregelen, genomen ingevolge het tweede of het vierde lid, worden beëindigd.
7. Onze Minister kan van het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, ontheffing verlenen.
8. Na beëindiging van de opschorting, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, neemt de Pensioen- & Verzekeringskamer de betrokken aanvragen opnieuw in behandeling. Artikel 36, eerste lid, is op deze behandeling van overeenkomstige toepassing.
9. Bij overtreding van het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is degene die de deelneming heeft verworven, gehouden binnen een door Onze Minister te bepalen termijn de deelneming ongedaan te maken.
10. Handelingen, verricht uit hoofde van een deelneming die in strijd met het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is verworven, zijn nietig.
11. Het vierde lid is niet van toepassing op aanvragen van vergunningen door dochtermaatschappijen van verzekeraars met zetel in de Unie en op verwerving van deelnemingen door verzekeraars met zetel in de Unie.
a. eerste richtlijn schadeverzekering: eerste richtlijn nr. 73/239/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PbEG L 228);
b. eerste richtlijn levensverzekering: eerste richtlijn nr. 79/267/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (PbEG L 63).
2. Onze Minister kan, ter uitvoering van artikel 29ter, vijfde lid, van de eerste richtlijn schadeverzekering en artikel 32ter, vijfde lid, van de eerste richtlijn levensverzekering bepalen dat met ingang van een door hem te bepalen tijdstip ondernemingen met zetel in een door hem aan te wijzen staat buiten de Unie, alvorens zij een deelneming verwerven in een onderneming met zetel in Nederland die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, waardoor deze hun dochtermaatschappij wordt, hem daarvan schriftelijk in kennis stellen.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt met ingang van het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, Onze Minister desgevraagd in kennis van elke aanvraag van een eerste vergunning, ingediend door een dochtermaatschappij met zetel in Nederland van een onderneming met zetel in de door Onze Minister ingevolge het tweede lid aangewezen staat.
4. Onze Minister kan, ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 29ter, vierde lid, tweede alinea, van de eerste richtlijn schadeverzekering en artikel 32ter, vierde lid, tweede alinea, van de eerste richtlijn levensverzekering, bepalen dat met ingang van een door hem te bepalen tijdstip:
a. het aan ondernemingen met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat buiten de Unie is verboden een deelneming te verwerven in een onderneming met zetel in Nederland die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, indien deze daardoor dochtermaatschappij van de betrokken onderneming wordt; en
b. de Pensioen- & Verzekeringskamer met betrekking tot ondernemingen met zetel in Nederland die dochtermaatschappij zijn van een onderneming met zetel in de ingevolge onderdeel a aangewezen staat en die voor de eerste maal een vergunning aanvragen, haar beslissingen op deze aanvragen opschort dan wel aan niet meer dan een door Onze Minister te bepalen aantal van deze ondernemingen een vergunning verleent.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop een beperking van het aantal ondernemingen waaraan een vergunning mag worden verleend als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, moet worden toegepast.
6. Onze Minister bepaalt het tijdstip waarop de maatregelen, genomen ingevolge het tweede of het vierde lid, worden beëindigd.
7. Onze Minister kan van het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, ontheffing verlenen.
8. Na beëindiging van de opschorting, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, neemt de Pensioen- & Verzekeringskamer de betrokken aanvragen opnieuw in behandeling. Artikel 36, eerste lid, is op deze behandeling van overeenkomstige toepassing.
9. Bij overtreding van het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is degene die de deelneming heeft verworven, gehouden binnen een door Onze Minister te bepalen termijn de deelneming ongedaan te maken.
10. Handelingen, verricht uit hoofde van een deelneming die in strijd met het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is verworven, zijn nietig.
11. Het vierde lid is niet van toepassing op aanvragen van vergunningen door dochtermaatschappijen van verzekeraars met zetel in de Unie en op verwerving van deelnemingen door verzekeraars met zetel in de Unie.