BWBR0006509
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 148
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een vergunning intrekken indien de verzekeraar:
a. daarom verzoekt;
b. niet meer voldoet aan de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
c. niet binnen de ingevolge de artikelen 138 onderscheidenlijk 144 door de Pensioen- & Verzekeringskamer goedgekeurde termijn de solvabiliteitsmarge op de vereiste omvang heeft gebracht;
d. ernstig in gebreke blijft aan verplichtingen, hem bij of krachtens de wet in of buiten Nederland opgelegd, te voldoen;
e. met zetel in Nederland dan wel, vanuit zijn bijkantoren in Nederland, indien hij zijn zetel buiten de Unie heeft, de bedrijfsuitoefening in de betrokken branche gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
f. binnen twaalf maanden na de verlening van de vergunning daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de vergunning in op het tijdstip waarop een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, aanhef en derde lid, onderdeel b, of zo spoedig mogelijk daarna, voor zover de verzekeraar onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip nog een vergunning heeft.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de vergunning in op het tijdstip waarop tijdens de noodregeling voor de eerste keer activa van de verzekeraar te gelde worden gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden, of zo spoedig mogelijk na bedoeld tijdstip, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, derde lid, onderdeel c, voor zover de verzekeraar onmiddellijk voorafgaand aan het voor de eerste keer te gelde maken nog een vergunning heeft. De bewindvoerder stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer in kennis van het voor de eerste keer te gelde maken van de activa, zo mogelijk voorafgaand aan het te gelde maken, of anders onverwijld daarna, tenzij de vergunning reeds is ingetrokken.
a. daarom verzoekt;
b. niet meer voldoet aan de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
c. niet binnen de ingevolge de artikelen 138 onderscheidenlijk 144 door de Pensioen- & Verzekeringskamer goedgekeurde termijn de solvabiliteitsmarge op de vereiste omvang heeft gebracht;
d. ernstig in gebreke blijft aan verplichtingen, hem bij of krachtens de wet in of buiten Nederland opgelegd, te voldoen;
e. met zetel in Nederland dan wel, vanuit zijn bijkantoren in Nederland, indien hij zijn zetel buiten de Unie heeft, de bedrijfsuitoefening in de betrokken branche gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
f. binnen twaalf maanden na de verlening van de vergunning daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de vergunning in op het tijdstip waarop een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, aanhef en derde lid, onderdeel b, of zo spoedig mogelijk daarna, voor zover de verzekeraar onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip nog een vergunning heeft.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de vergunning in op het tijdstip waarop tijdens de noodregeling voor de eerste keer activa van de verzekeraar te gelde worden gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden, of zo spoedig mogelijk na bedoeld tijdstip, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, derde lid, onderdeel c, voor zover de verzekeraar onmiddellijk voorafgaand aan het voor de eerste keer te gelde maken nog een vergunning heeft. De bewindvoerder stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer in kennis van het voor de eerste keer te gelde maken van de activa, zo mogelijk voorafgaand aan het te gelde maken, of anders onverwijld daarna, tenzij de vergunning reeds is ingetrokken.