BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 4.86
Activiteitenregeling milieubeheer
1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen ten minste voldaan aan het tweede tot en met tiende lid.
2. Het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en het vullen van opslagtanks vindt uitsluitend plaats door of onder direct toezicht van deskundig personeel dat op de hoogte is van:
a. de gevaarlijke eigenschappen van de brandstoffen,
b. de absorptie- en hulpmiddelen, bedoeld in artikel 4.78 van het besluit,
c. het noodplan, bedoeld in het zevende lid, en
d. de instructies, bedoeld in artikel 36 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling,
en dat direct kan ingrijpen bij morsingen, incidenten en calamiteiten.
3. Bij een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en bij het vulpunt van een bunkerstation indien dit vulpunt op de kant is gelegen, worden voorzieningen getroffen of maatregelen genomen om schade aan de afleverinstallatie en het vulpunt door aanrijdingen te voorkomen.
4. Een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en een bunkerstation zijn zodanig gelegen, dat de bereikbaarheid voor passerende vaartuigen is gewaarborgd en een zo laag mogelijk aanvaringsrisico wordt bereikt.
5. Een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voldoet bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen aan de volgende onderdelen van PGS 28:
a. de voorschriften 2.3.8, 2.3.11 en 2.3.12;
b. de voorschriften 3.2.5, 3.4.4 en 3.4.6 tot en met 3.4.11, en
c. de voorschriften 5.5.1, 5.5.3, 5.6.1, 5.6.2 en 5.7.1,
waarbij voor ‘voertuig’ wordt gelezen ‘vaartuig’.
6. Op een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen zijn de artikelen 21, 35b, e, f, j en k, 36, 45, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregelingvan overeenkomstige toepassing.
7. Op verzoek van het bevoegd gezag stelt de houder van een inrichting waar vloeibare brandstof wordt afgeleverd aan vaartuigen aan de hand van de opslagcapaciteit, de aard van de opgeslagen producten en de aard van de inrichting een doelmatig noodplan op om:
a. lekkage zo spoedig mogelijk te stoppen en gelekte brandstof op te ruimen,
b. brand zo spoedig mogelijk onder controle te krijgen waarbij wordt aangegeven in welke gevallen zelf opgetreden wordt en in welke gevallen de brandweer wordt ingeschakeld,
c. betrokken personen intern te alarmeren en indien nodig op te roepen,
d. indien nodig de installatie stil te leggen of te ontruimen,
e. hulpdiensten, omwonenden en bevoegd gezag te informeren, en
f. zo nodig hulp te kunnen bieden aan degenen die zich op het bedrijfsterrein bevinden en aan omwonenden.
8. Aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, wordt geen vloeibare brandstof afgeleverd.
9. Aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, wordt geen vloeibare brandstof afgeleverd indien de gevaarlijke stoffen gassen zijn.
10. Bij een bunkerstation waar lichte olie wordt afgeleverd aan vaartuigen, wordt geen vloeibare brandstof afgeleverd aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995
2. Het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en het vullen van opslagtanks vindt uitsluitend plaats door of onder direct toezicht van deskundig personeel dat op de hoogte is van:
a. de gevaarlijke eigenschappen van de brandstoffen,
b. de absorptie- en hulpmiddelen, bedoeld in artikel 4.78 van het besluit,
c. het noodplan, bedoeld in het zevende lid, en
d. de instructies, bedoeld in artikel 36 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling,
en dat direct kan ingrijpen bij morsingen, incidenten en calamiteiten.
3. Bij een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en bij het vulpunt van een bunkerstation indien dit vulpunt op de kant is gelegen, worden voorzieningen getroffen of maatregelen genomen om schade aan de afleverinstallatie en het vulpunt door aanrijdingen te voorkomen.
4. Een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en een bunkerstation zijn zodanig gelegen, dat de bereikbaarheid voor passerende vaartuigen is gewaarborgd en een zo laag mogelijk aanvaringsrisico wordt bereikt.
5. Een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voldoet bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen aan de volgende onderdelen van PGS 28:
a. de voorschriften 2.3.8, 2.3.11 en 2.3.12;
b. de voorschriften 3.2.5, 3.4.4 en 3.4.6 tot en met 3.4.11, en
c. de voorschriften 5.5.1, 5.5.3, 5.6.1, 5.6.2 en 5.7.1,
waarbij voor ‘voertuig’ wordt gelezen ‘vaartuig’.
6. Op een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen zijn de artikelen 21, 35b, e, f, j en k, 36, 45, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregelingvan overeenkomstige toepassing.
7. Op verzoek van het bevoegd gezag stelt de houder van een inrichting waar vloeibare brandstof wordt afgeleverd aan vaartuigen aan de hand van de opslagcapaciteit, de aard van de opgeslagen producten en de aard van de inrichting een doelmatig noodplan op om:
a. lekkage zo spoedig mogelijk te stoppen en gelekte brandstof op te ruimen,
b. brand zo spoedig mogelijk onder controle te krijgen waarbij wordt aangegeven in welke gevallen zelf opgetreden wordt en in welke gevallen de brandweer wordt ingeschakeld,
c. betrokken personen intern te alarmeren en indien nodig op te roepen,
d. indien nodig de installatie stil te leggen of te ontruimen,
e. hulpdiensten, omwonenden en bevoegd gezag te informeren, en
f. zo nodig hulp te kunnen bieden aan degenen die zich op het bedrijfsterrein bevinden en aan omwonenden.
8. Aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, wordt geen vloeibare brandstof afgeleverd.
9. Aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, wordt geen vloeibare brandstof afgeleverd indien de gevaarlijke stoffen gassen zijn.
10. Bij een bunkerstation waar lichte olie wordt afgeleverd aan vaartuigen, wordt geen vloeibare brandstof afgeleverd aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995