BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 5.18
Activiteitenregeling milieubeheer
1. De bemonsteringen, analyses en metingen van de parameters die nodig zijn om te bepalen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen:
[tabel]
2. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het eerste lid, inzake zwaveldioxide (SO 2), stikstofoxiden (NO x), koolmonoxide, zuurstof en waterdamp kunnen tot [1 april 2019] onderstaande normbladen worden toegepast:
a. NEN-EN 14 791, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie aan zwaveldioxide – Referentiemethode, november 2005;
b NEN-EN 14792:2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie aan stikstofoxiden (NOx) – Referentiemethode – Chemiluminescentie, december 2005;
c. NEN-EN 15 058, 2006: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie van koolstofmonoxide (CO) – Referentiemethode: Niet-dispersieve infrarood spectrometrie, juni 2006,
d. NEN-EN 14 789, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de volumeconcentratie van zuurstof (O2) – Referentiemethode – Paramagnetisme, november 2005, respectievelijk
e. NEN-EN 14 790, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de waterdamp in leidingen, november 2005.
3. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het eerste lid, inzake bekwaamheid laboratoria en totaalstof kunnen tot en met 31 december 2020 onderstaande normbladen worden toegepast:
a. NEN-EN-ISO/IEC 17025, 2005: Europese norm voor Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, juni 2005 en C1:2007, januari 2007.
b. NEN-EN 13284-1, 2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001 of NEN-EN 13284-2, 2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004.
[tabel]
2. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het eerste lid, inzake zwaveldioxide (SO 2), stikstofoxiden (NO x), koolmonoxide, zuurstof en waterdamp kunnen tot [1 april 2019] onderstaande normbladen worden toegepast:
a. NEN-EN 14 791, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie aan zwaveldioxide – Referentiemethode, november 2005;
b NEN-EN 14792:2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie aan stikstofoxiden (NOx) – Referentiemethode – Chemiluminescentie, december 2005;
c. NEN-EN 15 058, 2006: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie van koolstofmonoxide (CO) – Referentiemethode: Niet-dispersieve infrarood spectrometrie, juni 2006,
d. NEN-EN 14 789, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de volumeconcentratie van zuurstof (O2) – Referentiemethode – Paramagnetisme, november 2005, respectievelijk
e. NEN-EN 14 790, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de waterdamp in leidingen, november 2005.
3. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het eerste lid, inzake bekwaamheid laboratoria en totaalstof kunnen tot en met 31 december 2020 onderstaande normbladen worden toegepast:
a. NEN-EN-ISO/IEC 17025, 2005: Europese norm voor Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, juni 2005 en C1:2007, januari 2007.
b. NEN-EN 13284-1, 2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001 of NEN-EN 13284-2, 2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004.