BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 3.116
Activiteitenregeling milieubeheer
1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 3.158 van het besluitis, in het geval van buitenschietbanen, niet zijnde kleiduivenbanen, de kogelvanger opgesteld boven een bodembeschermende voorziening tenzij deze is uitgevoerd als zandkogelvanger met overkapping tegen inregenen.
2. Een kleiduivenbaan waar met lood- of zinkhagelpatronen wordt geschoten of waar kleiduiven worden gebruikt of voorhanden zijn die de in tabel 3.116 aangegeven stoffen bevatten in concentraties die de daarbij aangegeven waarden te boven gaan, is voorzien van:
a. een bodembeschermende voorziening;
b. vangnetten of schermen langs het oppervlak waarop de bodembeschermende voorziening is aangebracht, indien delen van patronen of kleiduiven buiten dat oppervlak terecht kunnen komen.
3. Restanten van patronen en kleiduiven die na het kleiduivenschieten achterblijven op een kleiduivenbaan worden periodiek verwijderd.
4. De controle, het onderhoud en het beheer van de bodembeschermende voorziening, bedoeld in het tweede lid, worden in eenduidige bedrijfsinterne procedures en werkinstructies ter bescherming van de bodem vastgelegd.
5. Artikel 2.4, eerste lid, onder b, is niet van toepassing op een bodembeschermende voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid.
[tabel]
* Het gehalte aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt berekend als PAK 10 VROM.
2. Een kleiduivenbaan waar met lood- of zinkhagelpatronen wordt geschoten of waar kleiduiven worden gebruikt of voorhanden zijn die de in tabel 3.116 aangegeven stoffen bevatten in concentraties die de daarbij aangegeven waarden te boven gaan, is voorzien van:
a. een bodembeschermende voorziening;
b. vangnetten of schermen langs het oppervlak waarop de bodembeschermende voorziening is aangebracht, indien delen van patronen of kleiduiven buiten dat oppervlak terecht kunnen komen.
3. Restanten van patronen en kleiduiven die na het kleiduivenschieten achterblijven op een kleiduivenbaan worden periodiek verwijderd.
4. De controle, het onderhoud en het beheer van de bodembeschermende voorziening, bedoeld in het tweede lid, worden in eenduidige bedrijfsinterne procedures en werkinstructies ter bescherming van de bodem vastgelegd.
5. Artikel 2.4, eerste lid, onder b, is niet van toepassing op een bodembeschermende voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid.
[tabel]
* Het gehalte aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt berekend als PAK 10 VROM.