BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 4.6
Activiteitenregeling milieubeheer
1. Artikel 4.3, eerste lid, is niet van toepassing op de volgende stoffen van klasse 3 van het ADR:
a. alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking;
b. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 60 graden Celsius en 100 graden Celsius, of
c. verwarmde brandbare vloeistoffen met UN-nummer 3256.
2. De artikelen 4.3, eerste lid, 4.4, 4.4a, eerste tot een met vijfde lid, 4.4ben 4.4czijn niet van toepassing op gevaarlijke stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking:
a. die tijdelijk worden opgeslagen overeenkomstig artikel 4.7;
b. die als werkvoorraad aanwezig zijn;
c. die in vervoerseenheden aanwezig zijn;
d. die in een verkoopruimte aanwezig zijn;
e. die via leidingen zijn aangesloten op een installatie;
f. zijnde gasflessen van de klasse 2 van het ADR met een totale waterinhoud van maximaal 125 liter;
g. zijnde gewasbeschermingsmiddelen en biociden van in totaal maximaal 400 kg of liter, of
h. die aanwezig zijn in hoeveelheden kleiner dan de in tabel 4.6 weergegeven hoeveelheden. Indien sprake is van stoffen uit verschillende klassen in hoeveelheden die kleiner zijn dan de in tabel 4.6 opgenomen ondergrens, wordt naar rato berekend of de ondergrens wordt overschreden.
[tabel]
1Voor spuitbussen en gaspatronen (UN 2037) die samen met andere gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening worden opgeslagen geldt een ondergrens van 1 kg.
3. Onverminderd het tweede lid geldt een vrijstelling tot de dubbele hoeveelheid van de in tabel 4.6 genoemde ondergrenzen voor verpakkingen als LQ. Deze vrijstelling geldt alleen indien de stoffen zijn opgeslagen in een gesloten verpakking die voldoet aan de daartoe in het ADR gestelde eisen.
4. Voor stoffen met een bijkomend gevaar is de laagste ondergrens bepalend.
a. alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking;
b. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 60 graden Celsius en 100 graden Celsius, of
c. verwarmde brandbare vloeistoffen met UN-nummer 3256.
2. De artikelen 4.3, eerste lid, 4.4, 4.4a, eerste tot een met vijfde lid, 4.4ben 4.4czijn niet van toepassing op gevaarlijke stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking:
a. die tijdelijk worden opgeslagen overeenkomstig artikel 4.7;
b. die als werkvoorraad aanwezig zijn;
c. die in vervoerseenheden aanwezig zijn;
d. die in een verkoopruimte aanwezig zijn;
e. die via leidingen zijn aangesloten op een installatie;
f. zijnde gasflessen van de klasse 2 van het ADR met een totale waterinhoud van maximaal 125 liter;
g. zijnde gewasbeschermingsmiddelen en biociden van in totaal maximaal 400 kg of liter, of
h. die aanwezig zijn in hoeveelheden kleiner dan de in tabel 4.6 weergegeven hoeveelheden. Indien sprake is van stoffen uit verschillende klassen in hoeveelheden die kleiner zijn dan de in tabel 4.6 opgenomen ondergrens, wordt naar rato berekend of de ondergrens wordt overschreden.
[tabel]
1Voor spuitbussen en gaspatronen (UN 2037) die samen met andere gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening worden opgeslagen geldt een ondergrens van 1 kg.
3. Onverminderd het tweede lid geldt een vrijstelling tot de dubbele hoeveelheid van de in tabel 4.6 genoemde ondergrenzen voor verpakkingen als LQ. Deze vrijstelling geldt alleen indien de stoffen zijn opgeslagen in een gesloten verpakking die voldoet aan de daartoe in het ADR gestelde eisen.
4. Voor stoffen met een bijkomend gevaar is de laagste ondergrens bepalend.