BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 5.11
Activiteitenregeling milieubeheer
1. De emissies in de lucht van de volgende stoffen worden continu gemeten:
a. zwaveldioxide (SO2), totaal organische koolstof, zoutzuur, koolmonoxide, totaal stof en stikstofoxiden (NOx);
b. waterstoffluoride, tenzij voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd die waarborgen dat de in de artikelen 5.19, 5.20 en 5.22 van het besluit voor zoutzuur opgenomen emissiegrenswaarden niet worden overschreden.
2. In het geval voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd die voldoen aan het eerste lid, onder b, wordt periodiek ten minste tweemaal per jaar gemeten.
3. In afwijking van het eerste lid wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide (SO 2) periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, of worden er geen metingen verricht, indien de drijver van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie kan aantonen dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde.
4. In afwijking van het eerste lid wordt de emissie van stikstofoxide (NO x) van een afvalverbrandingsinstallatie periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, indien:
a. de afvalverbrandingsinstallatie een nominale capaciteit heeft van minder dan 6 ton per uur;
b. vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen;
c. degene die de afvalverbrandingsinstallatie drijft, aan de hand van informatie over de kwaliteit van het betreffende afval, de gebruikte technologieën en de resultaten van de monitoring van de emissies aantoont dat emissies van stikstofoxiden in geen geval de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 5.19 van het besluit, kunnen overschrijden.
a. zwaveldioxide (SO2), totaal organische koolstof, zoutzuur, koolmonoxide, totaal stof en stikstofoxiden (NOx);
b. waterstoffluoride, tenzij voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd die waarborgen dat de in de artikelen 5.19, 5.20 en 5.22 van het besluit voor zoutzuur opgenomen emissiegrenswaarden niet worden overschreden.
2. In het geval voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd die voldoen aan het eerste lid, onder b, wordt periodiek ten minste tweemaal per jaar gemeten.
3. In afwijking van het eerste lid wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide (SO 2) periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, of worden er geen metingen verricht, indien de drijver van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie kan aantonen dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde.
4. In afwijking van het eerste lid wordt de emissie van stikstofoxide (NO x) van een afvalverbrandingsinstallatie periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, indien:
a. de afvalverbrandingsinstallatie een nominale capaciteit heeft van minder dan 6 ton per uur;
b. vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen;
c. degene die de afvalverbrandingsinstallatie drijft, aan de hand van informatie over de kwaliteit van het betreffende afval, de gebruikte technologieën en de resultaten van de monitoring van de emissies aantoont dat emissies van stikstofoxiden in geen geval de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 5.19 van het besluit, kunnen overschrijden.