BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 3.21
Activiteitenregeling milieubeheer
1. Een vaste afleverinstallatie voldoet bij het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of aan spoorvoertuigen aan de volgende onderdelen van PGS 28:
a. de voorschriften 2.3.8, 2.3.11 en 2.3.13;
b. de voorschriften 3.2.5 en 3.4.2 tot en met 3.4.11;
c. voorschrift 4.5.8;
d. de voorschriften 5.5.1 en 5.5.3, en
e. de paragrafen 5.6 en 5.7.
2. Bij het afleveren van lichte olie zonder toezicht is de vaste afleverinstallatie voorzien van een temperatuurgevoelig element dat voldoet aan voorschrift 2.3.12 van de PGS 28. Het temperatuurgevoelig element wordt eenmaal per twee jaar door een daartoe opgeleid persoon of opgeleide installateur op goede werking gecontroleerd.
3. Met inachtneming van de opslagcapaciteit, de aard van de opgeslagen vloeistoffen en de aard van de inrichting wordt bij inrichtingen waar lichte olie wordt afgeleverd een noodplan opgesteld overeenkomstig bijlage C bij PGS 28. Dit noodplan is aanwezig bij de inrichting overeenkomstig de voorschriften 6.2.2 en 6.2.3 van PGS 28.
a. de voorschriften 2.3.8, 2.3.11 en 2.3.13;
b. de voorschriften 3.2.5 en 3.4.2 tot en met 3.4.11;
c. voorschrift 4.5.8;
d. de voorschriften 5.5.1 en 5.5.3, en
e. de paragrafen 5.6 en 5.7.
2. Bij het afleveren van lichte olie zonder toezicht is de vaste afleverinstallatie voorzien van een temperatuurgevoelig element dat voldoet aan voorschrift 2.3.12 van de PGS 28. Het temperatuurgevoelig element wordt eenmaal per twee jaar door een daartoe opgeleid persoon of opgeleide installateur op goede werking gecontroleerd.
3. Met inachtneming van de opslagcapaciteit, de aard van de opgeslagen vloeistoffen en de aard van de inrichting wordt bij inrichtingen waar lichte olie wordt afgeleverd een noodplan opgesteld overeenkomstig bijlage C bij PGS 28. Dit noodplan is aanwezig bij de inrichting overeenkomstig de voorschriften 6.2.2 en 6.2.3 van PGS 28.