BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 5.54
Activiteitenregeling milieubeheer
1. Bij het ontwerp van de vloeistoflaad- en dampopvangvoorzieningen aan een laadportaal wordt uitgegaan van een verbindingssysteem dat voldoet aan de volgende eisen:
a. de hoogte van de hartlijn van de vloeistofadapters bedraagt tussen 0,7 en 1,0 meter,
b. indien de vloeistofadapters ongeladen zijn bedraagt de hartlijn ten hoogste 1,4 meter,
c. indien de vloeistofadapters geladen zijn, bedraagt de hartlijn ten minste 0,5 meter,
d. de horizontale afstand tussen de vloeistofadapters bedraagt ten minste 0,25 meter,
e. de vloeistofadapters bevinden zich binnen een lengte van ten hoogste 2,5 meter,
f. de dampopvangadapter bevindt zich bij voorkeur rechts van de vloeistofadapters op een hoogte van ten hoogste 1,5 meter indien de vloeistofadapter ongeladen is en op ten minste 0,5 meter indien de vloeistofadapter geladen is, en
g. de aarding of overloopdetectie bevindt zich rechts van de vloeistof- en dampopvangadapters op: 1°. ten hoogste 1,5 meter indien de vloeistofadapter ongeladen is, of
2°. ten minste 0,5 meter indien de vloeistofadapter geladen is.
1°. ten hoogste 1,5 meter indien de vloeistofadapter ongeladen is, of
2°. ten minste 0,5 meter indien de vloeistofadapter geladen is.
2. het verbindingssysteem, bedoeld in het eerste lid, bevindt zich geheel aan één zijde van de tankwagen.
a. de hoogte van de hartlijn van de vloeistofadapters bedraagt tussen 0,7 en 1,0 meter,
b. indien de vloeistofadapters ongeladen zijn bedraagt de hartlijn ten hoogste 1,4 meter,
c. indien de vloeistofadapters geladen zijn, bedraagt de hartlijn ten minste 0,5 meter,
d. de horizontale afstand tussen de vloeistofadapters bedraagt ten minste 0,25 meter,
e. de vloeistofadapters bevinden zich binnen een lengte van ten hoogste 2,5 meter,
f. de dampopvangadapter bevindt zich bij voorkeur rechts van de vloeistofadapters op een hoogte van ten hoogste 1,5 meter indien de vloeistofadapter ongeladen is en op ten minste 0,5 meter indien de vloeistofadapter geladen is, en
g. de aarding of overloopdetectie bevindt zich rechts van de vloeistof- en dampopvangadapters op: 1°. ten hoogste 1,5 meter indien de vloeistofadapter ongeladen is, of
2°. ten minste 0,5 meter indien de vloeistofadapter geladen is.
1°. ten hoogste 1,5 meter indien de vloeistofadapter ongeladen is, of
2°. ten minste 0,5 meter indien de vloeistofadapter geladen is.
2. het verbindingssysteem, bedoeld in het eerste lid, bevindt zich geheel aan één zijde van de tankwagen.