BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 3.7n
Activiteitenregeling milieubeheer
1. De drijver van inrichting onderhoudt de ter controle van de emissiegrenswaarden geïnstalleerde apparatuur zodanig dat de goede werking van de apparatuur is gewaarborgd.
2. Indien zich een storing voordoet in de apparatuur, bedoeld in het eerste lid:
a. neemt de drijver van de inrichting onverwijld de nodige maatregelen tot opheffing van die storing, en
b. brengt hij geen wijzigingen aan in het gebruik van de stookinstallatie, die een substantiële stijging van de uitworp van de te meten stof met zich kan brengen.
2. Indien zich een storing voordoet in de apparatuur, bedoeld in het eerste lid:
a. neemt de drijver van de inrichting onverwijld de nodige maatregelen tot opheffing van die storing, en
b. brengt hij geen wijzigingen aan in het gebruik van de stookinstallatie, die een substantiële stijging van de uitworp van de te meten stof met zich kan brengen.