BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 3.4gb
Activiteitenregeling milieubeheer
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘het te zuiveren stedelijk afvalwater’ verstaan: het aangevoerde stedelijk afvalwater voor eventuele vermenging met een of meer deelstromen die bij het zuiveringsproces vrijkomen en die op het zuiveringtechnisch werk worden teruggevoerd.
2. De plaats van bemonstering wordt daar gekozen waar een zo representatief mogelijk beeld van de concentraties van de te bepalen parameters in het te zuiveren stedelijk afvalwater of in het na zuivering te lozen stedelijk afvalwater kan worden verkregen.
3. Het te zuiveren stedelijk afvalwater wordt volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd.
4. Het na zuivering te lozen stedelijk afvalwater wordt, ingeval van een zuiveringtechnisch werk met een ontwerpcapaciteit van:
a. meer dan 100.000 inwonerequivalenten: volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd, of
b. ten hoogste 100.000 inwonerequivalenten: volumeproportioneel dan wel tijdproportioneel over een etmaal bemonsterd.
5. De na zuivering geloosde hoeveelheid stedelijk afvalwater wordt dagelijks bepaald.
6. Het minimum aantal te nemen monsters per jaar is afhankelijk van de ontwerpcapaciteit in inwonerequivalenten van het zuiveringtechnisch werk en wordt met gelijkmatige tussenpozen verdeeld over het jaar genomen conform:
a. tabel 3.4.gb1, met betrekking tot de vaststelling van de per zuiveringtechnisch werk te zuiveren en na zuivering geloosde hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor;
b. tabel 3.4gb2, met betrekking tot de vaststelling per zuiveringtechnisch werk van het na zuivering geloosde biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen, het chemisch zuurstofverbruik en de geloosde hoeveelheid onopgeloste stoffen.
[tabel]
[tabel]
7. Indien op grond van metingen aangetoond kan worden dat in het te zuiveren stedelijk afvalwater het gehalte aan nitriet- en nitraatstikstof voortdurend minder dan 1% is ten opzichte van het gehalte aan Kjeldahlstikstof, kan worden volstaan met de meting van het gehalte aan Kjeldahlstikstof in dat water.
8. De etmaalmonsters worden individueel geanalyseerd.
2. De plaats van bemonstering wordt daar gekozen waar een zo representatief mogelijk beeld van de concentraties van de te bepalen parameters in het te zuiveren stedelijk afvalwater of in het na zuivering te lozen stedelijk afvalwater kan worden verkregen.
3. Het te zuiveren stedelijk afvalwater wordt volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd.
4. Het na zuivering te lozen stedelijk afvalwater wordt, ingeval van een zuiveringtechnisch werk met een ontwerpcapaciteit van:
a. meer dan 100.000 inwonerequivalenten: volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd, of
b. ten hoogste 100.000 inwonerequivalenten: volumeproportioneel dan wel tijdproportioneel over een etmaal bemonsterd.
5. De na zuivering geloosde hoeveelheid stedelijk afvalwater wordt dagelijks bepaald.
6. Het minimum aantal te nemen monsters per jaar is afhankelijk van de ontwerpcapaciteit in inwonerequivalenten van het zuiveringtechnisch werk en wordt met gelijkmatige tussenpozen verdeeld over het jaar genomen conform:
a. tabel 3.4.gb1, met betrekking tot de vaststelling van de per zuiveringtechnisch werk te zuiveren en na zuivering geloosde hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor;
b. tabel 3.4gb2, met betrekking tot de vaststelling per zuiveringtechnisch werk van het na zuivering geloosde biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen, het chemisch zuurstofverbruik en de geloosde hoeveelheid onopgeloste stoffen.
[tabel]
[tabel]
7. Indien op grond van metingen aangetoond kan worden dat in het te zuiveren stedelijk afvalwater het gehalte aan nitriet- en nitraatstikstof voortdurend minder dan 1% is ten opzichte van het gehalte aan Kjeldahlstikstof, kan worden volstaan met de meting van het gehalte aan Kjeldahlstikstof in dat water.
8. De etmaalmonsters worden individueel geanalyseerd.