BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 3.7
Activiteitenregeling milieubeheer
1. De concentraties aan stikstofoxiden (NO x), zwaveldioxide (SO 2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (C xH y, uitgedrukt in C) in het rookgas worden bepaald door continue of afzonderlijke meting.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de concentratie aan stikstofoxiden (NO x), zwaveldioxide (SO 2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (C xH y, uitgedrukt in C) in het rookgas bepaald door continue meting, indien ter bestrijding van de uitworp rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken worden toegepast.
3. In afwijking van het tweede lid kan worden volstaan met afzonderlijke metingen, indien een logboek van registraties wordt bijgehouden waaruit met een voldoende mate van zekerheid blijkt dat de rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de betreffende emissiegrenswaarden niet worden overschreden.
4. De concentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10h van het besluitbinnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie bepaald door middel van een afzonderlijke meting.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de concentratie aan stikstofoxiden (NO x), zwaveldioxide (SO 2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (C xH y, uitgedrukt in C) in het rookgas bepaald door continue meting, indien ter bestrijding van de uitworp rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken worden toegepast.
3. In afwijking van het tweede lid kan worden volstaan met afzonderlijke metingen, indien een logboek van registraties wordt bijgehouden waaruit met een voldoende mate van zekerheid blijkt dat de rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de betreffende emissiegrenswaarden niet worden overschreden.
4. De concentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10h van het besluitbinnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie bepaald door middel van een afzonderlijke meting.