BWBR0022830
Geldig vanaf 2023-06-22
Artikel 5.19
Activiteitenregeling milieubeheer
1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden, bedoeld in artikel 5.18, gecontroleerd.
2. De drijver van de inrichting informeert het bevoegd gezag over de resultaten van de in het eerste lid bedoelde controle.
3. De waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen, op basis waarvan de gemiddelden worden berekend die getoetst worden aan een emissiegrenswaarde, is bij continue metingen niet groter dan de volgende percentages van de emissiegrenswaarde voor de dagelijkse emissies:
a. koolmonoxide: 10% van de emissiegrenswaarde of 5 mg/Nm3;
b. zwaveldioxide (SO2): 20% van de emissiegrenswaarde of 10 mg/Nm3;
c. stikstofoxiden (NOx): 20% van de emissiegrenswaarde of 14 mg/Nm3;
d. totaal stof: 30% van de emissiegrenswaarde of 1,5 mg/Nm3;
e. totaal organisch koolstof: 30% van de emissiegrenswaarde of 3 mg/Nm3;
f. zoutzuur: 40% van de emissiegrenswaarde of 4 mg/Nm3;
g. waterstoffluoride: 40% van de emissiegrenswaarde of 0,4 mg/Nm3.
4. De gevalideerde halfuur- en daggemiddelden worden bij continue metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten halfuurgemiddelden, na aftrek van de waarde van het in het derde lid vermelde 95%-betrouwbaarheidsinterval.
5. Bij de bepaling van de totale concentratie van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de in tabel 5.19 genoemde dioxinen en dibenzofuranen vóór het optellen met de in die tabel genoemde toxische equivalentiefactoren (teq) vermenigvuldigd.
[tabel]
2. De drijver van de inrichting informeert het bevoegd gezag over de resultaten van de in het eerste lid bedoelde controle.
3. De waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen, op basis waarvan de gemiddelden worden berekend die getoetst worden aan een emissiegrenswaarde, is bij continue metingen niet groter dan de volgende percentages van de emissiegrenswaarde voor de dagelijkse emissies:
a. koolmonoxide: 10% van de emissiegrenswaarde of 5 mg/Nm3;
b. zwaveldioxide (SO2): 20% van de emissiegrenswaarde of 10 mg/Nm3;
c. stikstofoxiden (NOx): 20% van de emissiegrenswaarde of 14 mg/Nm3;
d. totaal stof: 30% van de emissiegrenswaarde of 1,5 mg/Nm3;
e. totaal organisch koolstof: 30% van de emissiegrenswaarde of 3 mg/Nm3;
f. zoutzuur: 40% van de emissiegrenswaarde of 4 mg/Nm3;
g. waterstoffluoride: 40% van de emissiegrenswaarde of 0,4 mg/Nm3.
4. De gevalideerde halfuur- en daggemiddelden worden bij continue metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten halfuurgemiddelden, na aftrek van de waarde van het in het derde lid vermelde 95%-betrouwbaarheidsinterval.
5. Bij de bepaling van de totale concentratie van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de in tabel 5.19 genoemde dioxinen en dibenzofuranen vóór het optellen met de in die tabel genoemde toxische equivalentiefactoren (teq) vermenigvuldigd.
[tabel]