1. Erkenning van een werkplaats voor de produktie van vleesbereidingen, ongeacht of deze zich bevindt in een overeenkomstig
artikel 9, tweede lid, van de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985, een overeenkomstig artikel 4.16, dan wel een overeenkomstig
artikel 31 van de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993erkende uitsnijderij, in een overeenkomstig artikel 5.13erkende vrij-wildverwerkingsinrichting, dan wel in een overeenkomstig artikel 13 van de Regeling keuring en handelsverkeer vleesprodukten 1993 erkende vleesproduktenfabriek, vindt slechts plaats, indien:
a. de werkplaats voldoet aan hoofdstuk III, punten 1 en, voor zover van toepassing, 2, van bijlage I van richtlijn 94/65/EG;
b. die werkplaats voldoet aan: de hoofdstukken I en III van bijlage I van richtlijn 64/433/EEG, indien het vleesbereidingen van vlees van runderen, varkens, schapen, geiten en eenhoevigen betreft;
de hoofdstukken I en III van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, indien het vleesbereidingen van vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, gekweekt of vrij vederwild, dan wel van gekweekte konijnen of hazen betreft;
hoofdstuk I van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, indien het vleesbereidingen van vlees van klein vrij wild betreft, en tevens aan hoofdstuk IV, punt 1, van voornoemde bijlage, indien het vleesbereidingen van vlees van grof vrij wild betreft, dan wel
voor zover deze zich bevindt in een erkende vleesproduktenabriek, hoofdstuk I van bijlagen A en B van richtlijn 77/99/EEG;
de hoofdstukken I en III van bijlage I van richtlijn 64/433/EEG, indien het vleesbereidingen van vlees van runderen, varkens, schapen, geiten en eenhoevigen betreft;
de hoofdstukken I en III van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, indien het vleesbereidingen van vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, gekweekt of vrij vederwild, dan wel van gekweekte konijnen of hazen betreft;
hoofdstuk I van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, indien het vleesbereidingen van vlees van klein vrij wild betreft, en tevens aan hoofdstuk IV, punt 1, van voornoemde bijlage, indien het vleesbereidingen van vlees van grof vrij wild betreft, dan wel
voor zover deze zich bevindt in een erkende vleesproduktenabriek, hoofdstuk I van bijlagen A en B van richtlijn 77/99/EEG;
c. in die werkplaats overigens wordt voldaan aan, voor zover van toepassing, hoofdstuk V van bijlage I van richtlijn 64/433/EEG of richtlijn 71/118/EEG, hoofdstuk II van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG, dan wel hoofdstuk II van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG.
2. Erkenning van een werkplaats voor de produktie van vleesbereidingen vindt eveneens plaats, indien is voldaan aan hoofdstuk V van bijlage I en hoofdstuk I van hoofdstuk I van bijlage II van richtlijn 71/118/EEG, mits:
a. voor zover die werkplaats tevens op grond van artikel 10 van het Besluit produktie en handel vers vlees, artikel 4.16, tweede lid, dan wel artikel 31, vierde lid, van de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993 is erkend als uitsnijderij, in die werkplaats en uitsnijderij per week in totaal niet meer dan 5 ton vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen worden geproduceerd;
b. voor zover die werkplaats tevens op grond van artikel 13, tweede lid, van de Regeling keuring en handelsverkeer vleesprodukten 1993 is erkend als vleesproduktenfabriek, in die werkplaats en fabriek per week in totaal niet meer dan 7,5 ton gehakt vlees, vleesbereidingen en vleesprodukten worden geproduceerd, dan wel
c. in andere gevallen dan als bedoeld in onderdeel a of b, in die werkplaats per week in totaal niet meer dan 7,5 ton gehakt vlees of vleesbereidingen worden geproduceerd.
3. Erkenning van een werkplaats voor de produktie van vleesbereidingen als bedoeld in artikel 10.4, die zich niet bevindt in een andere inrichting, vindt eveneens plaats, indien de werkplaats, in afwijking in zoverre van het eerste lid, niet voldoet aan:
a. hoofdstuk I, punt 3, van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG met betrekking tot de lokalen voor de opslag voor grondstoffen en eindprodukten, mits de werkplaats beschikt over een lokaal of voorziening als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, tweede alinea, van richtlijn 94/65/EG;
b. hoofdstuk I van bijlage B van richtlijn 77/99/EEG;
c. hoofdstuk I, punt 2, onder g, van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG met betrekking tot kranen, en
d. hoofdstuk I, punt 11, van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG, in die zin dat kan worden volstaan met kasten in plaats van kleedlokalen, mits in die werkplaats per week in totaal niet meer dan 7,5 ton gehakt vlees en vleesbereidingen worden geproduceerd.
4. In afwijking in zoverre van het eerste en derde lid vindt erkenning van een werkplaats voor de produktie van vleesbereidingen als bedoeld in artikel 9.4tot en met 31 december 1996 eveneens plaats, indien die werkplaats slechts voldoet aan het eerste lid, onderdeel c, mits:
a. die werkplaats op 31 december 1995 reeds vleesbereidingen als bedoeld in artikel 10.4 produceerde;
b. ten aanzien van die werkplaats op 31 december 1995 op grond van deze regeling geen inrichtingseisen van toepassing waren, en
c. voor zover die werkplaats zich bevindt in een andere inrichting, ten aanzien van die inrichting op 31 december 1995 op grond van deze regeling, de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985, de Regeling keuring en handelsverkeer vleesprodukten 1993, de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993, het Besluit produktie en handel vers vlees het Besluit produktie en handel vlees van vrij wild, dan wel het Besluit produktie en handel vleesprodukten geen inrichtingseisen van toepassing waren.
5. In een werkplaats die zich bevindt in een uitsnijderij of vleesproduktenfabriek als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, dan wel in een vrij-wildverwerkingsinrichting als bedoeld in het tweede lid, mogen de voor het personeel bestemde lokalen, apparatuur en installaties, alsmede ieder lokaal ten aanzien waarvan geen gevaar bestaat voor verontreiniging van grondstoffen of produkten zonder onmiddellijke verpakking, gemeenschappelijk zijn.
6. Een erkenning van een werkplaats wordt door de minister verleend, nadat uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat, in voorkomend geval, aan het eerste, tweede of derde lid is voldaan.
7. Een erkenning als bedoeld in het vierde lid wordt geacht door de minister te zijn verleend, indien aan dat lid wordt voldaan.
8. Artikel 4.16, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.