BWBR0006727
Geldig vanaf 2004-12-06
Artikel 4.11a
Regeling keuring en handel dierlijke producten
1. Het is de eigenaar of houder van een pluimveehouderij slechts toegestaan pluimvee in de handel te brengen ten behoeve van de levering aan slachthuizen, indien is voldaan aan artikel 4.4a.
2. De keuringsdierenarts, of onder diens verantwoordelijkheid diens assistent, ziet toe op de naleving van artikel 4.4a. De keuringsdierenarts brengt in verband met het toezicht op de naleving van artikel 4.4a, eerste lid, ten minste een maal per jaar een bezoek aan de pluimveehouderij, met dien verstande dat de bezoekfrequentie wordt verhoogd indien blijkt dat de eigenaar of houder zich niet aan voornoemde voorschriften houdt en de bezoeken in dat laatste geval steeds worden afgelegd door de keuringsdierenarts.
3. Indien ook na verhoging van de bezoekfrequentie blijkt dat de eigenaar of houder zich niet aan de in artikel 4.4a, eerste lid, bedoelde voorschriften houdt, kan de minister besluiten dat er niet langer toezicht op de naleving van de in het eerste lid bedoelde voorschriften plaats zal vinden met dien verstande dat in dat geval niet langer gebruik kan worden gemaakt van het document, bedoeld in artikel 4.4a, tweede lid.
4. Het toezicht op de naleving van de in het eerste lid bedoelde voorschriften op de houderij wordt hervat nadat de eigenaar of houder ten genoegen van de minister heeft aangetoond dat aan voornoemde voorschriften wordt voldaan.
5. De eigenaar of houder verleent de keuringsdierenarts of diens assistent alle medewerking die deze redelijkerwijs ten behoeve van de keuring voor het slachten noodzakelijk acht, en laat deze hiertoe te allen tijde toe op de houderij. De keuringsdierenarts en diens assistent zijn bevoegd water en voer van het pluimvee te bemonsteren.
2. De keuringsdierenarts, of onder diens verantwoordelijkheid diens assistent, ziet toe op de naleving van artikel 4.4a. De keuringsdierenarts brengt in verband met het toezicht op de naleving van artikel 4.4a, eerste lid, ten minste een maal per jaar een bezoek aan de pluimveehouderij, met dien verstande dat de bezoekfrequentie wordt verhoogd indien blijkt dat de eigenaar of houder zich niet aan voornoemde voorschriften houdt en de bezoeken in dat laatste geval steeds worden afgelegd door de keuringsdierenarts.
3. Indien ook na verhoging van de bezoekfrequentie blijkt dat de eigenaar of houder zich niet aan de in artikel 4.4a, eerste lid, bedoelde voorschriften houdt, kan de minister besluiten dat er niet langer toezicht op de naleving van de in het eerste lid bedoelde voorschriften plaats zal vinden met dien verstande dat in dat geval niet langer gebruik kan worden gemaakt van het document, bedoeld in artikel 4.4a, tweede lid.
4. Het toezicht op de naleving van de in het eerste lid bedoelde voorschriften op de houderij wordt hervat nadat de eigenaar of houder ten genoegen van de minister heeft aangetoond dat aan voornoemde voorschriften wordt voldaan.
5. De eigenaar of houder verleent de keuringsdierenarts of diens assistent alle medewerking die deze redelijkerwijs ten behoeve van de keuring voor het slachten noodzakelijk acht, en laat deze hiertoe te allen tijde toe op de houderij. De keuringsdierenarts en diens assistent zijn bevoegd water en voer van het pluimvee te bemonsteren.