BWBR0006727
Geldig vanaf 2004-12-06
Artikel 5.3
Regeling keuring en handel dierlijke producten
1. Een partij gehele stukken grof vrij wild die anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht, gaat vergezeld van een gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model dat is vastgesteld bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 5, derde lid, onderdeel c, van richtlijn 92/45/EEG, dan wel, zolang dit model niet is vastgesteld, van een door de minister ondertekend certificaat waarin ten minste wordt verklaard dat de ingewanden een post mortem keuring hebben ondergaan in een erkende vrij-wildverwerkingsinrichting en dat het vlees geschikt is verklaard voor menselijke consumptie.
2. Een partij gehele stukken klein vrij wild die anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht, gaat vergezeld van een door de minister ondertekend certificaat waarin ten minste wordt verklaard dat een representatief monster van dieren van dezelfde herkomst is gekeurd en aan de hand van deze keuring de partij geschikt is bevonden voor menselijke consumptie.
3. Zolang de voorschriften voor het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van gehele stukken vrij wild vanuit derde landen niet of slechts gedeeltelijk ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld, is het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van uit derde landen in Nederland ingevoerd gehele stukken vrij wild, bestemd voor een lidstaat, slechts toegestaan indien de lidstaat van bestemming heeft ingestemd met het op zijn grondgebied brengen van deze stukken en is voldaan aan de ter zake door die lid-staat gestelde voorschriften.
4. Indien een partij als bedoeld in het eerste lid in Nederland niet is omgepakt, gaat de partij, in afwijking van het eerste en tweede lid, vergezeld van:
1º. een gewaarmerkt afschrift van het certificaat, bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat op dit afschrift of op een afzonderlijk certificaat tevens door de minister is verklaard dat de partij is ingevoerd overeenkomstig de Nederlandse voorschriften, dan wel
2º. een door de lid-staat van bestemming voorgeschreven certificaat.
5. Indien een partij als bedoeld in het eerste lid in Nederland is omgepakt, blijkt uit het document bedoeld in artikel 5.3, eerste en tweede lid, tevens dat is voldaan aan de voorschriften van de lid-staat van bestemming.
6. Ten aanzien van een partij gehele stukken grof vrij wild die anders dan in doorvoerbuiten Nederland wordt gebracht, is voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 4, eerste, tweede en zesde lid, 8, eerste lid, 9, eerste en derde lid, en 13 van verordening 1829/2003.
7. Het is een exploitant als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van verordening 1830/2003, voorzover zijn activiteiten betrekking hebben op een partij gehele stukken grof vrij wild, verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 5, eerste en tweede lid, van die verordening.
2. Een partij gehele stukken klein vrij wild die anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht, gaat vergezeld van een door de minister ondertekend certificaat waarin ten minste wordt verklaard dat een representatief monster van dieren van dezelfde herkomst is gekeurd en aan de hand van deze keuring de partij geschikt is bevonden voor menselijke consumptie.
3. Zolang de voorschriften voor het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van gehele stukken vrij wild vanuit derde landen niet of slechts gedeeltelijk ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld, is het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van uit derde landen in Nederland ingevoerd gehele stukken vrij wild, bestemd voor een lidstaat, slechts toegestaan indien de lidstaat van bestemming heeft ingestemd met het op zijn grondgebied brengen van deze stukken en is voldaan aan de ter zake door die lid-staat gestelde voorschriften.
4. Indien een partij als bedoeld in het eerste lid in Nederland niet is omgepakt, gaat de partij, in afwijking van het eerste en tweede lid, vergezeld van:
1º. een gewaarmerkt afschrift van het certificaat, bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat op dit afschrift of op een afzonderlijk certificaat tevens door de minister is verklaard dat de partij is ingevoerd overeenkomstig de Nederlandse voorschriften, dan wel
2º. een door de lid-staat van bestemming voorgeschreven certificaat.
5. Indien een partij als bedoeld in het eerste lid in Nederland is omgepakt, blijkt uit het document bedoeld in artikel 5.3, eerste en tweede lid, tevens dat is voldaan aan de voorschriften van de lid-staat van bestemming.
6. Ten aanzien van een partij gehele stukken grof vrij wild die anders dan in doorvoerbuiten Nederland wordt gebracht, is voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 4, eerste, tweede en zesde lid, 8, eerste lid, 9, eerste en derde lid, en 13 van verordening 1829/2003.
7. Het is een exploitant als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van verordening 1830/2003, voorzover zijn activiteiten betrekking hebben op een partij gehele stukken grof vrij wild, verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 5, eerste en tweede lid, van die verordening.