BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 7a
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 6geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden na ontslag de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3. Artikel 24, derde lid, van de Werkloosheidswetis van overeenkomstige toepassing op de belanghebbende, met dien verstande dat de termijn van zes maanden aanvangt na de termijn van drie maanden, bedoeld in het zesde lid.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 8a;
c. voor de periode dat de uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 9, het restant van de uitkering op verzoek van de belanghebbende met toepassing van artikel 6, tweede lid, onder a, niet wordt uitbetaald.
5. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3. Artikel 24, derde lid, van de Werkloosheidswetis van overeenkomstige toepassing op de belanghebbende, met dien verstande dat de termijn van zes maanden aanvangt na de termijn van drie maanden, bedoeld in het zesde lid.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 8a;
c. voor de periode dat de uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 9, het restant van de uitkering op verzoek van de belanghebbende met toepassing van artikel 6, tweede lid, onder a, niet wordt uitbetaald.
5. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.