BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 108
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. Op aanvraag van een minister of een kamerlid is het Rijk verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de Pensioenwetaan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.
2. De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de tweede, respectievelijk derde afdelingvan deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de minister of het kamerlid verkrijgt krachtens de tweederespectievelijk derde afdelingvan deze wet.
3. De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwetgestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
4. Voor de toepassing van de Pensioenwetwordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder in de zin van die wet.
5. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.
2. De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de tweede, respectievelijk derde afdelingvan deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de minister of het kamerlid verkrijgt krachtens de tweederespectievelijk derde afdelingvan deze wet.
3. De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwetgestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
4. Voor de toepassing van de Pensioenwetwordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder in de zin van die wet.
5. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.