BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 17
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. Bij een overlijden van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister heeft de gewezen partner recht op bijzonder partnerpensioen, mits:
a. de gewezen partner recht op partnerpensioen zou hebben gehad, indien de minister, gewezen minister of gepensioneerde op de dag van het beëindigen van het partnerschap zou zijn overleden; en
b. indien het partnerschap een huwelijk betrof, de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor bedoeld tijdstip geldende recht.
2. In afwijking van het eerste lid heeft de gewezen partner bij overlijden geen recht op bijzonder partnerpensioen:
a. indien de partners bij huwelijkse voorwaarden, bij voorwaarden bij geregistreerd partnerschap of bij een schriftelijk gesloten overeenkomst met het oog op het einde van het partnerschap dit overeenkomen en Onze Minister daarmee instemt;
b. indien betrokkene als gevolg van het aangaan van een nieuw partnerschap met dezelfde minister wegens diens overlijden recht op partnerpensioen heeft;
c. bij overlijden van een minister of gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen tussen 31 juli 2003 en 1 juli 2022;
d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f;
e. indien de gewezen partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld;
f. indien bij de scheiding het partnerpensioen van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister is omgezet in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen voor de gewezen partner.
a. de gewezen partner recht op partnerpensioen zou hebben gehad, indien de minister, gewezen minister of gepensioneerde op de dag van het beëindigen van het partnerschap zou zijn overleden; en
b. indien het partnerschap een huwelijk betrof, de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor bedoeld tijdstip geldende recht.
2. In afwijking van het eerste lid heeft de gewezen partner bij overlijden geen recht op bijzonder partnerpensioen:
a. indien de partners bij huwelijkse voorwaarden, bij voorwaarden bij geregistreerd partnerschap of bij een schriftelijk gesloten overeenkomst met het oog op het einde van het partnerschap dit overeenkomen en Onze Minister daarmee instemt;
b. indien betrokkene als gevolg van het aangaan van een nieuw partnerschap met dezelfde minister wegens diens overlijden recht op partnerpensioen heeft;
c. bij overlijden van een minister of gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen tussen 31 juli 2003 en 1 juli 2022;
d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f;
e. indien de gewezen partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld;
f. indien bij de scheiding het partnerpensioen van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister is omgezet in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen voor de gewezen partner.