BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 106
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. Op de bezoldiging van de minister en op de schadeloosstelling van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met inbegrip van de eventuele verhoging als fractievoorzitter, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004939/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer</a>, en met inbegrip van de eventuele toelage als voorzitter of ondervoorzitter, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004939/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 11, eerste en tweede lid, van genoemde wet</a>worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Artikel 13dis van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.
2. Op de uitkering van de gewezen minister of het gewezen kamerlid worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling.
3. Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de artikelen 8aen 53a, alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
2. Op de uitkering van de gewezen minister of het gewezen kamerlid worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling.
3. Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de artikelen 8aen 53a, alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.