BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 54
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de <a href="/wet/BWBR0011353" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet inkomstenbelasting 2001</a>en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als
a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de <a href="/wet/BWBR0008656" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen</a>of de <a href="/wet/BWBR0008657" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten</a>.
3. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 52c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0003251" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement</a>, vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of uitkering in aanmerking komt.
4. Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie <a href="/wet/BWBR0002221" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene Ouderdomswet</a>en <a href="/wet/BWBR0007795" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene nabestaandenwet</a>, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
5. Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.
6. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 52, zesde lid, en artikel 53a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als
a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de <a href="/wet/BWBR0008656" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen</a>of de <a href="/wet/BWBR0008657" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten</a>.
3. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 52c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0003251" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement</a>, vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of uitkering in aanmerking komt.
4. Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie <a href="/wet/BWBR0002221" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene Ouderdomswet</a>en <a href="/wet/BWBR0007795" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene nabestaandenwet</a>, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
5. Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.
6. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 52, zesde lid, en artikel 53a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.