BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 40a
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. De opbouw van aanspraken op het ouderdomspensioen geschiedt overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 14voor dienstjaren vanaf 1 januari 2014.
2. Voor dienstjaren vóór 1 januari 2014 geschiedt de opbouw overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de <a href="/wet/BWBR0033719" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa</a>.
3. Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van hoofdstuk 4, wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn ontslagen. Daarbij wordt de laatstelijk genoten wedde niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.
2. Voor dienstjaren vóór 1 januari 2014 geschiedt de opbouw overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de <a href="/wet/BWBR0033719" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa</a>.
3. Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van hoofdstuk 4, wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn ontslagen. Daarbij wordt de laatstelijk genoten wedde niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.