BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 136
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de belanghebbende is overleden.
2. De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. met ingang van de dag waarop de belanghebbende opnieuw lid van gedeputeerde staten wordt in de provincie ten laste waarvan de uitkering wordt genoten, tenzij hij als zodanig een betrekking is gaan uitoefenen in een mindere omvang dan voor het aftreden waaraan hij het recht op uitkering ontleent.
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 134a.
2. De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. met ingang van de dag waarop de belanghebbende opnieuw lid van gedeputeerde staten wordt in de provincie ten laste waarvan de uitkering wordt genoten, tenzij hij als zodanig een betrekking is gaan uitoefenen in een mindere omvang dan voor het aftreden waaraan hij het recht op uitkering ontleent.
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 134a.