BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 56
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop het gewezen kamerlid is overleden.
2. De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement.
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.
2. De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement.
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.