BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 40e
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de <a href="/wet/BWBR0007795" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene nabestaandenwet</a>, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2. Recht op toeslag heeft eveneens de partner aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de <a href="/wet/BWBR0007795" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene nabestaandenwet</a>in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht.
3. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de <a href="/wet/BWBR0007795" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene nabestaandenwet</a>, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid;
b. bij iedere nadere vaststelling van de vermindering van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
4. Artikel 40d, vierde, vijfde en zesde lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel.
2. Recht op toeslag heeft eveneens de partner aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de <a href="/wet/BWBR0007795" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene nabestaandenwet</a>in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht.
3. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de <a href="/wet/BWBR0007795" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene nabestaandenwet</a>, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid;
b. bij iedere nadere vaststelling van de vermindering van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
4. Artikel 40d, vierde, vijfde en zesde lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel.