BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 107
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. Op aanvraag van een gewezen minister of een gewezen kamerlid draagt het Rijk de waarde van de door de aanvrager krachtens de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in de <a href="/wet/BWBR0020809" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Pensioenwet</a>inzake waardeoverdracht.
2. De bij of krachtens <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/71" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 71 van de Pensioenwet</a>gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
3. De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid.
4. Voor de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0020809" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Pensioenwet</a>wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder.
5. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.
2. De bij of krachtens <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/71" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 71 van de Pensioenwet</a>gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
3. De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid.
4. Voor de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0020809" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Pensioenwet</a>wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder.
5. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.