BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 52a
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 51geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3. Artikel 7a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een kamerlid.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e;
b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 53a;
c. voor de periode dat de belanghebbende verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering.
5. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
2. De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3. Artikel 7a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een kamerlid.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e;
b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 53a;
c. voor de periode dat de belanghebbende verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering.
5. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.