BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 11
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de gewezen minister is overleden.
2. De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen minister de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt.
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.
4. Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen minister:
a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
2. De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen minister de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt.
3. De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.
4. Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen minister:
a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.