BWBR0051068
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 3.1.7
Regeling bemanning zeeschepen
1. Bij de aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs op grond van voorschrift I/10 van het STCW-verdrag of hoofdstuk I, voorschrift 7, van het STCW F-verdrag, legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan de minister:
a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
b. een geldig identiteitsbewijs waaruit zijn nationaliteit blijkt;
c. een recente pasfoto;
d. het vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs waarvan erkenning wordt gevraagd; en
e. de geneeskundige verklaring zeevaart, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet.
2. Indien het vaarbevoegdheidsbewijs waarvan erkenning wordt gevraagd de functie kapitein betreft en is afgegeven door de bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Bondsstaat Zwitserland, overlegt de aanvrager tevens het bewijs van schriftelijke toestemming, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet.
3. Een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste lid afgegeven door een staat als bedoeld in het tweede lid, heeft een geldigheidsduur die gelijk is aan die van het door de bevoegde autoriteit van die staat afgegeven oorspronkelijke bewijs, maar niet langer dan vijf jaar.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs door een migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 2 van de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties zeevisserij.
5. Het tweede lid is niet van toepassing op de aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs voor het dienstdoen in de functie van schipper op vissersvaartuigen.
a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
b. een geldig identiteitsbewijs waaruit zijn nationaliteit blijkt;
c. een recente pasfoto;
d. het vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs waarvan erkenning wordt gevraagd; en
e. de geneeskundige verklaring zeevaart, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet.
2. Indien het vaarbevoegdheidsbewijs waarvan erkenning wordt gevraagd de functie kapitein betreft en is afgegeven door de bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Bondsstaat Zwitserland, overlegt de aanvrager tevens het bewijs van schriftelijke toestemming, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet.
3. Een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste lid afgegeven door een staat als bedoeld in het tweede lid, heeft een geldigheidsduur die gelijk is aan die van het door de bevoegde autoriteit van die staat afgegeven oorspronkelijke bewijs, maar niet langer dan vijf jaar.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs door een migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 2 van de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties zeevisserij.
5. Het tweede lid is niet van toepassing op de aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs voor het dienstdoen in de functie van schipper op vissersvaartuigen.