BWBR0051068
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 3.8.2
Regeling bemanning zeeschepen
1. Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop waarvan de geldigheid niet langer dan vijf jaar is verstreken, wordt op aanvraag vernieuwd indien de houder:
a. een opleiding heeft gevolgd als bedoeld in de artikelen 3.4.22 of 3.4.23 en deze met succes heeft afgerond;
b. gedurende ten minste een diensttijd zeilschepen minder dan 500 GT van een half seizoen in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van de minister relevante functie boven de sterkte heeft dienstgedaan; of
c. gedurende ten minste een diensttijd zeilschepen minder dan 500 GT van een half seizoen in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van de minister relevante maar lagere functie heeft dienstgedaan dan waarvoor zijn ongeldig geworden vaarbevoegdheidsbewijs gold.
2. De minister geeft op aanvraag een vaarbevoegdheidsbewijs af met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden voor de vervulling van een functie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
3. Een vaarbevoegdheidsbewijs waarvan de geldigheid langer dan vijf jaar is verstreken, wordt op aanvraag vernieuwd indien de houder voorafgaand aan de aanvraag een opleiding heeft gevolgd als bedoeld in de artikelen 3.4.22of 3.4.23en deze met succes heeft afgerond.
a. een opleiding heeft gevolgd als bedoeld in de artikelen 3.4.22 of 3.4.23 en deze met succes heeft afgerond;
b. gedurende ten minste een diensttijd zeilschepen minder dan 500 GT van een half seizoen in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van de minister relevante functie boven de sterkte heeft dienstgedaan; of
c. gedurende ten minste een diensttijd zeilschepen minder dan 500 GT van een half seizoen in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van de minister relevante maar lagere functie heeft dienstgedaan dan waarvoor zijn ongeldig geworden vaarbevoegdheidsbewijs gold.
2. De minister geeft op aanvraag een vaarbevoegdheidsbewijs af met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden voor de vervulling van een functie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
3. Een vaarbevoegdheidsbewijs waarvan de geldigheid langer dan vijf jaar is verstreken, wordt op aanvraag vernieuwd indien de houder voorafgaand aan de aanvraag een opleiding heeft gevolgd als bedoeld in de artikelen 3.4.22of 3.4.23en deze met succes heeft afgerond.