BWBR0051068
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 4.6.4
Regeling bemanning zeeschepen
1. Een certificaat maritieme arbeid heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar.
2. Tijdens de geldigheidsduur van het certificaat maritieme arbeid wordt het zeeschip onderworpen aan een tussentijdse inspectie die plaatsvindt tussen de tweede en derde verjaardatum van het certificaat.
3. Van een goed verlopen tussentijdse inspectie wordt aantekening gemaakt op het certificaat.
4. Het onderzoek ter verlenging van een certificaat maritieme arbeid vindt plaats voor de vijfde verjaardatum van het certificaat.
5. Ter verkrijging van een certificaat maritieme arbeid bij een tussentijdse inspectie als bedoeld in het tweede lid en bij een verlengingsinspectie als bedoeld in het vierde lid:
a. wordt onderzocht of het zeeschip voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet en aan de voorschriften genoemd op de toepasselijke verklaring naleving maritieme arbeid deel I; en
b. wordt beoordeeld of de verklaring naleving maritieme arbeid deel II voldoet aan artikel 4.6.3, en of op basis van de inhoud van die verklaring voldoende is gewaarborgd dat de in onderdeel a bedoelde eisen die op het desbetreffende zeeschip van toepassing zijn, voortdurend worden nageleefd.
6. Indien het onderzoek ter verlenging wordt afgerond binnen drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat maritieme arbeid geldig vanaf de datum waarop de verlengingsinspectie is afgerond voor een tijdvak dat ten hoogste loopt tot vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat.
7. Indien het onderzoek ter verlenging meer dan drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande certificaat wordt afgerond, is het nieuwe certificaat maritieme arbeid geldig voor vijf jaar gerekend vanaf de datum waarop de verlengingsinspectie is afgerond.
2. Tijdens de geldigheidsduur van het certificaat maritieme arbeid wordt het zeeschip onderworpen aan een tussentijdse inspectie die plaatsvindt tussen de tweede en derde verjaardatum van het certificaat.
3. Van een goed verlopen tussentijdse inspectie wordt aantekening gemaakt op het certificaat.
4. Het onderzoek ter verlenging van een certificaat maritieme arbeid vindt plaats voor de vijfde verjaardatum van het certificaat.
5. Ter verkrijging van een certificaat maritieme arbeid bij een tussentijdse inspectie als bedoeld in het tweede lid en bij een verlengingsinspectie als bedoeld in het vierde lid:
a. wordt onderzocht of het zeeschip voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet en aan de voorschriften genoemd op de toepasselijke verklaring naleving maritieme arbeid deel I; en
b. wordt beoordeeld of de verklaring naleving maritieme arbeid deel II voldoet aan artikel 4.6.3, en of op basis van de inhoud van die verklaring voldoende is gewaarborgd dat de in onderdeel a bedoelde eisen die op het desbetreffende zeeschip van toepassing zijn, voortdurend worden nageleefd.
6. Indien het onderzoek ter verlenging wordt afgerond binnen drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat maritieme arbeid geldig vanaf de datum waarop de verlengingsinspectie is afgerond voor een tijdvak dat ten hoogste loopt tot vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat.
7. Indien het onderzoek ter verlenging meer dan drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande certificaat wordt afgerond, is het nieuwe certificaat maritieme arbeid geldig voor vijf jaar gerekend vanaf de datum waarop de verlengingsinspectie is afgerond.