BWBR0045685
Geldig vanaf 2025-11-21
Artikel 5.8.4.6
Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021
1. Onverminderd artikel 2.11beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:
a. de ligging van de deelnemende percelen van het samenwerkingsverband voor meer dan 50% is beoogd buiten een overgangsgebied N2000;
b. aan een aanvraag minder dan 2,5 punten zijn toegekend voor effectiviteit;
c. de gezamenlijke deelnemende percelen van het samenwerkingsverband een oppervlakte betreffen van minder dan 200 hectare;
d. een melkveehouderijbedrijf of akkerbouwbedrijf deelneemt aan meer dan één samenwerkingsverband dat op grond van deze paragraaf een subsidieaanvraag indient;
e. een deelnemer aan het samenwerkingsverband, niet zijnde een landbouwer, een onderneming is die geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening;
f. er geen sprake is van een nieuwe samenwerkingsvorm of het verrichten van nieuwe activiteiten door een bestaande samenwerkingsvorm;
g. op basis van de aanvraag minder dan 21 punten zijn behaald.
2. Voor zover de in dit artikel genoemde vereisten betrekking hebben op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie bij de deelnemer aan het samenwerkingsverband.
3. Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het tweede lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei van het betreffende kalenderjaar.
a. de ligging van de deelnemende percelen van het samenwerkingsverband voor meer dan 50% is beoogd buiten een overgangsgebied N2000;
b. aan een aanvraag minder dan 2,5 punten zijn toegekend voor effectiviteit;
c. de gezamenlijke deelnemende percelen van het samenwerkingsverband een oppervlakte betreffen van minder dan 200 hectare;
d. een melkveehouderijbedrijf of akkerbouwbedrijf deelneemt aan meer dan één samenwerkingsverband dat op grond van deze paragraaf een subsidieaanvraag indient;
e. een deelnemer aan het samenwerkingsverband, niet zijnde een landbouwer, een onderneming is die geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening;
f. er geen sprake is van een nieuwe samenwerkingsvorm of het verrichten van nieuwe activiteiten door een bestaande samenwerkingsvorm;
g. op basis van de aanvraag minder dan 21 punten zijn behaald.
2. Voor zover de in dit artikel genoemde vereisten betrekking hebben op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie bij de deelnemer aan het samenwerkingsverband.
3. Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het tweede lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei van het betreffende kalenderjaar.