BWBR0045685
Geldig vanaf 2025-11-21
Artikel 5.8.3.3
Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021
1. Voor subsidie komen in aanmerking kosten die verband houden met alle aspecten van de samenwerking ten behoeve van de uitvoering van het project, overeenkomstig de tabel van bijlage 3en voor zover deze zien op:
a. kosten voor de uitwerking van het plan;
b. kosten voor bedrijfsplannen;
c. kosten voor het begeleiden en uitvoeren van bedrijfsplannen en van de uitwerking;
d. kosten voor communicatie;
e. kosten voor rapportage;
f. kosten voor de aanschaf, het plaatsen en onderhoud van waterinfiltratiesystemen;
g. kosten voor de aanschaf, het plaatsen en onderhoud van digitale grondwaterpeilbuizen;
h. kosten voor beheermaatregelen.
2. De aanvrager berekent de subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 5.1.3a.
3. In afwijking van het vorige lid en artikel 5.1.2worden de kosten voor de beheermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, bepaald op basis van de vaste vergoedingen opgenomen in bijlage 3, onderdeel 6.
4. Kosten van extensiveringsmaatregelen van melkveehouderijbedrijven, genoemd in bijlage 3, onderdeel 6b, komen niet in aanmerking voor subsidie als:
a. de dierexcretie van het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar voor minder dan 70% afkomstig is van melk- en kalfkoeien of het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf voor minder dan 80% bestaat uit grasland;
b. het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar ook deelneemt aan een samenwerkingsverband dat op grond van paragraaf 5.8.4 subsidie ontvangt;
c. meer dan 50% van het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf buiten veenweidegebied of overgangsgebieden N2000 ligt in het betreffende kalenderjaar;
d. het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar niet met al het landbouwareaal meedoet aan het samenwerkingsverband bij het uitvoeren van de extensiveringsmaatregelen;
e. de gemiddelde dierexcretie van het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar minder dan 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
f. de reductie op het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar ten opzichte van het referentiejaar, bedoeld in het vijfde lid, minder bedraagt dan: i. 5% van de gemiddelde dierexcretie per hectare per jaar; of
ii. 10% van de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar.
i. 5% van de gemiddelde dierexcretie per hectare per jaar; of
ii. 10% van de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar.
5. Het referentiejaar, genoemd in het vierde lid, onderdeel f, is 2025 of, voor het geval in het jaar 2025 sprake is geweest van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, 2024.
6. Voor zover de bepaling van de subsidiabele kosten voor de beheermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, betrekking heeft op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie op het bedrijf.
7. Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het zesde lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei van het betreffende kalenderjaar.
8. Voor subsidie komen niet in aanmerking:
a. kosten voor vrijwilligers;
b. bijdragen in natura.
a. kosten voor de uitwerking van het plan;
b. kosten voor bedrijfsplannen;
c. kosten voor het begeleiden en uitvoeren van bedrijfsplannen en van de uitwerking;
d. kosten voor communicatie;
e. kosten voor rapportage;
f. kosten voor de aanschaf, het plaatsen en onderhoud van waterinfiltratiesystemen;
g. kosten voor de aanschaf, het plaatsen en onderhoud van digitale grondwaterpeilbuizen;
h. kosten voor beheermaatregelen.
2. De aanvrager berekent de subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 5.1.3a.
3. In afwijking van het vorige lid en artikel 5.1.2worden de kosten voor de beheermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, bepaald op basis van de vaste vergoedingen opgenomen in bijlage 3, onderdeel 6.
4. Kosten van extensiveringsmaatregelen van melkveehouderijbedrijven, genoemd in bijlage 3, onderdeel 6b, komen niet in aanmerking voor subsidie als:
a. de dierexcretie van het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar voor minder dan 70% afkomstig is van melk- en kalfkoeien of het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf voor minder dan 80% bestaat uit grasland;
b. het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar ook deelneemt aan een samenwerkingsverband dat op grond van paragraaf 5.8.4 subsidie ontvangt;
c. meer dan 50% van het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf buiten veenweidegebied of overgangsgebieden N2000 ligt in het betreffende kalenderjaar;
d. het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar niet met al het landbouwareaal meedoet aan het samenwerkingsverband bij het uitvoeren van de extensiveringsmaatregelen;
e. de gemiddelde dierexcretie van het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar minder dan 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
f. de reductie op het melkveehouderijbedrijf in het betreffende kalenderjaar ten opzichte van het referentiejaar, bedoeld in het vijfde lid, minder bedraagt dan: i. 5% van de gemiddelde dierexcretie per hectare per jaar; of
ii. 10% van de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar.
i. 5% van de gemiddelde dierexcretie per hectare per jaar; of
ii. 10% van de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar.
5. Het referentiejaar, genoemd in het vierde lid, onderdeel f, is 2025 of, voor het geval in het jaar 2025 sprake is geweest van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, 2024.
6. Voor zover de bepaling van de subsidiabele kosten voor de beheermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, betrekking heeft op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie op het bedrijf.
7. Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het zesde lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei van het betreffende kalenderjaar.
8. Voor subsidie komen niet in aanmerking:
a. kosten voor vrijwilligers;
b. bijdragen in natura.