BWBR0045685
Geldig vanaf 2025-11-21
Artikel 5.8.3.9
Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021
1. Onverminderd artikel 2.9bevat de aanvraag voor subsidieverlening ten minste de volgende gegevens:
a. een intekening door de aanvrager op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart met daarin aangegeven de percelen waar het samenwerkingsverband de activiteiten wil uitvoeren;
b. een beschrijving van de beoogde activiteiten die door het samenwerkingsverband uitgevoerd worden en een begroting van de kosten van die activiteiten volgens de omschrijving in bijlage 3;
c. een berekening van de huidige gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar (referentie) op de percelen veengrond, waarmee wordt deelgenomen aan het samenwerkingsverband, en met gebruikmaking van de digitale kaart, bedoeld in onderdeel a;
d. een berekening van de gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar na uitvoering van het project op de percelen veengrond, waarmee wordt deelgenomen aan het samenwerkingsverband, met gebruikmaking van de digitale kaart, bedoeld in onderdeel a;
e. een toelichting op de haalbaarheid van het project met daarin verwerkt de uitkomsten van de afstemming ter zake met het desbetreffende waterschap;
f. een beschrijving van de mogelijke omgevingseffecten;
g. een verduidelijking van de keuze van het samenwerkingsverband welke percelen van welke bedrijven of welke gehele melkveehouderijbedrijven meedoen;
h. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een melkveehouderijbedrijf deelneemt met extensiveringsmaatregelen genoemd in bijlage 3, onderdeel 6b, een berekening van de gemiddelde dierexcretie per hectare in het jaar 2025 en, in het geval 2025 niet het referentiejaar is, zoals bedoeld in artikel 5.8.3.3., vijfde lid, het jaar 2024 van elk van de deelnemende melkveehouderijbedrijven, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare per bedrijf per jaar;
i. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een melkveehouderijbedrijf deelneemt met extensiveringsmaatregelen genoemd in bijlage 3, onderdeel 6b, een berekening van de gemiddelde dierexcretie per hectare per jaar en de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar van elk van de melkveehouderijbedrijven na uitvoering van het project.
2. De berekening, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt opgesteld conform een door de Minister beschikbaar gesteld CO 2-rekenmodel.
3. Onverminderd artikel 2.9, vijfde lid, bevat het projectplan tevens een inhoudelijke beschrijving van de uit te voeren activiteiten in het samenwerkingsverband en op het niveau van een deelnemend bedrijf of een grondeigenaar, overeenkomstig de omschrijving opgenomen in punt 1 van bijlage 3.
4. Onverminderd artikel 2.18dient de subsidieontvanger uiterlijk 1 april 2028 een tussenrapportage in bij de Minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten en de behaalde deelresultaten na het eerste beheerjaar in 2027.
5. Onverminderd artikel 2.19, vierde en vijfde lid, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:
a. een factuur en een betaalbewijs van alle kosten bedoeld in bijlage 3, onderdelen 1 tot en met 5;
b. documenten met daarin de hoogte van het peil, uitgedrukt in centimeters ten opzichte van het Normaal Amsterdamse Peil, rondom de percelen die aan de beheermaatregel geringere drooglegging, bedoeld in bijlage 3, onderdeel 6a, hebben meegedaan voor de maanden april tot en met september van dat jaar, inclusief een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart van de percelen van het samenwerkingsverband met per perceel veengrond de CO2-emissie per hectare vermeld;
c. documenten met daarin informatie per melkveehouderijbedrijf over de jaarlijkse totale dierexcretie en totale stikstofbemesting per bedrijf, voor zover de activiteit extensivering, bedoeld in bijlage 3, onderdeel 6b, jaarlijks is uitgevoerd, inclusief een jaarlijkse intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart waaruit blijkt dat het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf voor meer dan 50% ligt binnen overgangsgebied N2000 of binnen veenweidegebied;
d. documenten met daarin informatie over de wijze van plaatsing van de investering, voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in een of meer waterinfiltratiesystemen als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 5a: 1°. een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart van de percelen veengrond waarop de investering of investeringen geplaatst zijn;
2°. gegevens over de diepte van de ligging van de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in centimeters, ten opzichte van het Normaal Amsterdamse Peil;
3°. gegevens over de afstand tussen de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in meters; en
4°. bij de aanleg van drukdrainage wordt uitgegaan van het medium scenario in het CO2-rekenmodel;
1°. een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart van de percelen veengrond waarop de investering of investeringen geplaatst zijn;
2°. gegevens over de diepte van de ligging van de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in centimeters, ten opzichte van het Normaal Amsterdamse Peil;
3°. gegevens over de afstand tussen de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in meters; en
4°. bij de aanleg van drukdrainage wordt uitgegaan van het medium scenario in het CO2-rekenmodel;
e. de GPS-coördinaten van de aangelegde digitale grondwaterpeilbuizen;
f. een verklaring van de aanvrager waaruit volgt dat gedurende vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling voldaan zal worden aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 5.8.3.8, vierde en vijfde lid, voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in grondwaterpeilbuizen als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 5b.
a. een intekening door de aanvrager op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart met daarin aangegeven de percelen waar het samenwerkingsverband de activiteiten wil uitvoeren;
b. een beschrijving van de beoogde activiteiten die door het samenwerkingsverband uitgevoerd worden en een begroting van de kosten van die activiteiten volgens de omschrijving in bijlage 3;
c. een berekening van de huidige gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar (referentie) op de percelen veengrond, waarmee wordt deelgenomen aan het samenwerkingsverband, en met gebruikmaking van de digitale kaart, bedoeld in onderdeel a;
d. een berekening van de gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar na uitvoering van het project op de percelen veengrond, waarmee wordt deelgenomen aan het samenwerkingsverband, met gebruikmaking van de digitale kaart, bedoeld in onderdeel a;
e. een toelichting op de haalbaarheid van het project met daarin verwerkt de uitkomsten van de afstemming ter zake met het desbetreffende waterschap;
f. een beschrijving van de mogelijke omgevingseffecten;
g. een verduidelijking van de keuze van het samenwerkingsverband welke percelen van welke bedrijven of welke gehele melkveehouderijbedrijven meedoen;
h. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een melkveehouderijbedrijf deelneemt met extensiveringsmaatregelen genoemd in bijlage 3, onderdeel 6b, een berekening van de gemiddelde dierexcretie per hectare in het jaar 2025 en, in het geval 2025 niet het referentiejaar is, zoals bedoeld in artikel 5.8.3.3., vijfde lid, het jaar 2024 van elk van de deelnemende melkveehouderijbedrijven, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare per bedrijf per jaar;
i. in geval van een projectplan van een samenwerkingsverband waaraan een melkveehouderijbedrijf deelneemt met extensiveringsmaatregelen genoemd in bijlage 3, onderdeel 6b, een berekening van de gemiddelde dierexcretie per hectare per jaar en de gemiddelde stikstofbemesting per hectare per jaar van elk van de melkveehouderijbedrijven na uitvoering van het project.
2. De berekening, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt opgesteld conform een door de Minister beschikbaar gesteld CO 2-rekenmodel.
3. Onverminderd artikel 2.9, vijfde lid, bevat het projectplan tevens een inhoudelijke beschrijving van de uit te voeren activiteiten in het samenwerkingsverband en op het niveau van een deelnemend bedrijf of een grondeigenaar, overeenkomstig de omschrijving opgenomen in punt 1 van bijlage 3.
4. Onverminderd artikel 2.18dient de subsidieontvanger uiterlijk 1 april 2028 een tussenrapportage in bij de Minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten en de behaalde deelresultaten na het eerste beheerjaar in 2027.
5. Onverminderd artikel 2.19, vierde en vijfde lid, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:
a. een factuur en een betaalbewijs van alle kosten bedoeld in bijlage 3, onderdelen 1 tot en met 5;
b. documenten met daarin de hoogte van het peil, uitgedrukt in centimeters ten opzichte van het Normaal Amsterdamse Peil, rondom de percelen die aan de beheermaatregel geringere drooglegging, bedoeld in bijlage 3, onderdeel 6a, hebben meegedaan voor de maanden april tot en met september van dat jaar, inclusief een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart van de percelen van het samenwerkingsverband met per perceel veengrond de CO2-emissie per hectare vermeld;
c. documenten met daarin informatie per melkveehouderijbedrijf over de jaarlijkse totale dierexcretie en totale stikstofbemesting per bedrijf, voor zover de activiteit extensivering, bedoeld in bijlage 3, onderdeel 6b, jaarlijks is uitgevoerd, inclusief een jaarlijkse intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart waaruit blijkt dat het landbouwareaal van het melkveehouderijbedrijf voor meer dan 50% ligt binnen overgangsgebied N2000 of binnen veenweidegebied;
d. documenten met daarin informatie over de wijze van plaatsing van de investering, voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in een of meer waterinfiltratiesystemen als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 5a: 1°. een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart van de percelen veengrond waarop de investering of investeringen geplaatst zijn;
2°. gegevens over de diepte van de ligging van de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in centimeters, ten opzichte van het Normaal Amsterdamse Peil;
3°. gegevens over de afstand tussen de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in meters; en
4°. bij de aanleg van drukdrainage wordt uitgegaan van het medium scenario in het CO2-rekenmodel;
1°. een intekening op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart van de percelen veengrond waarop de investering of investeringen geplaatst zijn;
2°. gegevens over de diepte van de ligging van de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in centimeters, ten opzichte van het Normaal Amsterdamse Peil;
3°. gegevens over de afstand tussen de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in meters; en
4°. bij de aanleg van drukdrainage wordt uitgegaan van het medium scenario in het CO2-rekenmodel;
e. de GPS-coördinaten van de aangelegde digitale grondwaterpeilbuizen;
f. een verklaring van de aanvrager waaruit volgt dat gedurende vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling voldaan zal worden aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 5.8.3.8, vierde en vijfde lid, voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in grondwaterpeilbuizen als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 5b.