BWBR0045685
Geldig vanaf 2025-11-21
Artikel 5.8.1
Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021
In deze titel wordt verstaan onder:
akkerbouwbedrijf: agrarisch bedrijf met landbouwareaal dat voor niet meer dan 20% bestaat uit blijvend grasland of blijvende teelt, tenzij sprake is van een voedselbos, en waarbij de gemiddelde dierexcretie van het bedrijf niet meer dan 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
blijvend grasland: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
blijvende teelt: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
bouwland: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
CO2-rekenmodel: een door de Minister ter beschikking gestelde applicatie voor de berekening van de CO2-emissie door veenweide;
dierexcretie: stikstofexcretie per dier per jaar als bedoeld in de in Bijlage D van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet uitgewerkte excretieforfaits;
grasland op landbouwareaal: blijvend grasland, tijdelijk grasland of natuurlijk grasland met landbouwactiviteiten;
grondeigenaar: natuurlijk persoon of rechtspersoon die grond in eigendom heeft;
landbouwareaal: grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of blijvende teelt en die ter beschikking staat van een deelnemer van het samenwerkingsverband op grond van eigendom, pacht of onderpacht dan wel in gebruik is met toestemming van de eigenaar of van de pachter die het perceel landbouwgrond met toestemming van de eigenaar heeft onderverpacht;
melk- en kalfkoeien: koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die worden gehouden voor de productie van melk voor menselijke consumptie of verwerking of voor de fokkerij van runderen voor de melkveehouderij, ook als ze drooggezet zijn om een kalf te krijgen, of worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;
melkveehouderijbedrijf: agrarisch bedrijf met minimaal 80% aan grasland op landbouwareaal voor de melkveehouderij waarbij minimaal 70% van de dierexcretie van melk- en kalfkoeien afkomstig is en waarbij de gemiddelde dierexcretie van het bedrijf minimaal 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
Minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van een bedrijf;
overgangsgebieden N2000: landbouwareaal in stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als vermeld in bijlage 2 en in een zone van maximaal 2.500 m rond een stikstofgevoelig Natura 2000 gebied;
rustgewasplus: een gewas genoemd in de lijst in bijlage 4;
samenwerkingsverband: samenwerkingsverband dat bestaat uit ten minste twee actoren waarvan minimaal een landbouwer samen met ten minste een andere landbouwer, grondeigenaar, landbouworganisatie, collectief, natuur- en landschapsorganisatie of een andere natuurlijk- of rechtspersoon met uitzondering van overheden;
samenwerkingsverband-watersysteem: samenwerkingsverband dat bestaat uit ten minste twee actoren waarvan minimaal een waterschap samen met ten minste een landbouwer, grondeigenaar, landbouworganisatie, collectief, natuur- en landschapsorganisatie, overheidsorgaan of een andere natuurlijk persoon of rechtspersoon;
Skal inputlijst: een door Skal Biocontrole opgestelde publieke lijst van gewasbeschermingsmiddelen die niet-biologisch zijn, maar wel gebruikt mogen worden in de biologische productie;
stikstofbemesting: het totaal aan stikstof uit meststoffen dat op het landbouwareaal van het bedrijf is aangewend;
stikstofhoudende kunstmest: anorganische meststoffen waarbij de droge stof meer dan 0,5% aan stikstof bevat;
veenweidegebied: veengrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Meststoffenwet in de provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en in de provincie Groningen in de gemeenten Groningen, Midden-Groningen en Westerkwartier en in de provincie Overijssel in de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle;
voedselbos: een landbouwmethode met minimaal 3 verticale vegetatielagen, waarbij de gewassen eetbare producten opleveren.
akkerbouwbedrijf: agrarisch bedrijf met landbouwareaal dat voor niet meer dan 20% bestaat uit blijvend grasland of blijvende teelt, tenzij sprake is van een voedselbos, en waarbij de gemiddelde dierexcretie van het bedrijf niet meer dan 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
blijvend grasland: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
blijvende teelt: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
bouwland: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
CO2-rekenmodel: een door de Minister ter beschikking gestelde applicatie voor de berekening van de CO2-emissie door veenweide;
dierexcretie: stikstofexcretie per dier per jaar als bedoeld in de in Bijlage D van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet uitgewerkte excretieforfaits;
grasland op landbouwareaal: blijvend grasland, tijdelijk grasland of natuurlijk grasland met landbouwactiviteiten;
grondeigenaar: natuurlijk persoon of rechtspersoon die grond in eigendom heeft;
landbouwareaal: grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of blijvende teelt en die ter beschikking staat van een deelnemer van het samenwerkingsverband op grond van eigendom, pacht of onderpacht dan wel in gebruik is met toestemming van de eigenaar of van de pachter die het perceel landbouwgrond met toestemming van de eigenaar heeft onderverpacht;
melk- en kalfkoeien: koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die worden gehouden voor de productie van melk voor menselijke consumptie of verwerking of voor de fokkerij van runderen voor de melkveehouderij, ook als ze drooggezet zijn om een kalf te krijgen, of worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;
melkveehouderijbedrijf: agrarisch bedrijf met minimaal 80% aan grasland op landbouwareaal voor de melkveehouderij waarbij minimaal 70% van de dierexcretie van melk- en kalfkoeien afkomstig is en waarbij de gemiddelde dierexcretie van het bedrijf minimaal 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;
Minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van een bedrijf;
overgangsgebieden N2000: landbouwareaal in stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als vermeld in bijlage 2 en in een zone van maximaal 2.500 m rond een stikstofgevoelig Natura 2000 gebied;
rustgewasplus: een gewas genoemd in de lijst in bijlage 4;
samenwerkingsverband: samenwerkingsverband dat bestaat uit ten minste twee actoren waarvan minimaal een landbouwer samen met ten minste een andere landbouwer, grondeigenaar, landbouworganisatie, collectief, natuur- en landschapsorganisatie of een andere natuurlijk- of rechtspersoon met uitzondering van overheden;
samenwerkingsverband-watersysteem: samenwerkingsverband dat bestaat uit ten minste twee actoren waarvan minimaal een waterschap samen met ten minste een landbouwer, grondeigenaar, landbouworganisatie, collectief, natuur- en landschapsorganisatie, overheidsorgaan of een andere natuurlijk persoon of rechtspersoon;
Skal inputlijst: een door Skal Biocontrole opgestelde publieke lijst van gewasbeschermingsmiddelen die niet-biologisch zijn, maar wel gebruikt mogen worden in de biologische productie;
stikstofbemesting: het totaal aan stikstof uit meststoffen dat op het landbouwareaal van het bedrijf is aangewend;
stikstofhoudende kunstmest: anorganische meststoffen waarbij de droge stof meer dan 0,5% aan stikstof bevat;
veenweidegebied: veengrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Meststoffenwet in de provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en in de provincie Groningen in de gemeenten Groningen, Midden-Groningen en Westerkwartier en in de provincie Overijssel in de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle;
voedselbos: een landbouwmethode met minimaal 3 verticale vegetatielagen, waarbij de gewassen eetbare producten opleveren.