BWBR0045685
Geldig vanaf 2025-11-21
Artikel 5.8.3.6
Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021
1. Onverminderd artikel 2.11beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:
a. de beoogde percelen voor meer dan 50% van het areaal buiten een veenweidegebied liggen;
b. de gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar op de percelen veengrond na uitvoeren van het project, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel d, is berekend op meer dan gemiddeld 10,0 ton CO2 emissie per hectare per jaar;
c. de te realiseren emissiereductie bij vergelijking van de berekening, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel c, met de berekening, bedoeld in onderdeel d van dat artikel: 1. minder dan 5% bedraagt in geval de huidige gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel c, minder is dan 10,0 ton CO2 emissie per hectare per jaar;
2. minder dan 10% bedraagt in overige gevallen;
1. minder dan 5% bedraagt in geval de huidige gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel c, minder is dan 10,0 ton CO2 emissie per hectare per jaar;
2. minder dan 10% bedraagt in overige gevallen;
d. de gezamenlijke percelen van het samenwerkingsverband een kleinere oppervlakte betreffen dan 200 hectare;
e. een deelnemer aan het samenwerkingsverband, niet zijnde een landbouwer, een onderneming is die geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening;
f. er geen sprake is van een nieuwe samenwerkingsvorm of het verrichten van nieuwe activiteiten door een bestaande samenwerkingsvorm;
g. aan een aanvraag minder dan 21 punten zijn behaald.
2. Voor zover de in dit artikel genoemde afwijzingsgronden betrekking hebben op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie bij de deelnemer aan het samenwerkingsverband.
3. Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het tweede lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei 2026.
a. de beoogde percelen voor meer dan 50% van het areaal buiten een veenweidegebied liggen;
b. de gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar op de percelen veengrond na uitvoeren van het project, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel d, is berekend op meer dan gemiddeld 10,0 ton CO2 emissie per hectare per jaar;
c. de te realiseren emissiereductie bij vergelijking van de berekening, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel c, met de berekening, bedoeld in onderdeel d van dat artikel: 1. minder dan 5% bedraagt in geval de huidige gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel c, minder is dan 10,0 ton CO2 emissie per hectare per jaar;
2. minder dan 10% bedraagt in overige gevallen;
1. minder dan 5% bedraagt in geval de huidige gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel c, minder is dan 10,0 ton CO2 emissie per hectare per jaar;
2. minder dan 10% bedraagt in overige gevallen;
d. de gezamenlijke percelen van het samenwerkingsverband een kleinere oppervlakte betreffen dan 200 hectare;
e. een deelnemer aan het samenwerkingsverband, niet zijnde een landbouwer, een onderneming is die geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening;
f. er geen sprake is van een nieuwe samenwerkingsvorm of het verrichten van nieuwe activiteiten door een bestaande samenwerkingsvorm;
g. aan een aanvraag minder dan 21 punten zijn behaald.
2. Voor zover de in dit artikel genoemde afwijzingsgronden betrekking hebben op landbouwareaal, wordt uitgegaan van de feitelijke situatie bij de deelnemer aan het samenwerkingsverband.
3. Bij het bepalen van de feitelijke situatie, genoemd in het tweede lid, wordt uitgegaan van de situatie op 15 mei 2026.