BWBR0047808
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 5.33
Regeling bodemkwaliteit 2022
1. Ter voorbereiding van het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart voor een partij grond of baggerspecie uit een ontgravingslocatie die is gelegen binnen het gebied waarop de kaart van toepassing is, worden een vooronderzoek en eventueel een aanvullend onderzoek verricht volgens dit artikel.
2. In een vooronderzoek wordt onderzocht of er redenen kunnen zijn om aan te nemen dat de bodemkwaliteitskaart die geldt voor het gebied waarin de ontgravingslocatie waarop de verklaring betrekking heeft, is gelegen, mogelijk niet representatief is voor de ontgravingslocatie en daardoor geen getrouw en actueel beeld geeft van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie.
3. Een bodemkwaliteitskaart geeft geen getrouw en actueel beeld van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie als in de bodem van de ontgravingslocatie rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijke aanwezigheid van:
a. stoffen als vermeld in bijlage B, waarover de kaart informatie geeft, als de bodem voor die stof in een slechtere kwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan op de kaart voor het gebied waarin de ontgravingslocatie ligt, is aangegeven;
b. stoffen als vermeld in bijlage B waarover de kaart geen informatie geeft, in een concentratie die waarschijnlijk de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’ overschrijdt;
c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft; en
d. bodemvreemd materiaal waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft.
4. Er is reden om aan te nemen dat sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, als:
a. de kwaliteit van de bodem door een puntbron kan zijn beïnvloed;
b. na de vaststelling of laatste actualisatie van de geldende bodemkwaliteitskaart ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, die de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie hebben kunnen beïnvloeden;
c. andere informatie voorhanden is waaruit blijkt dat de informatie die in de bodemkwaliteitskaart is opgenomen, geen representatief beeld geeft van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie; of
d. de ontgravingslocatie is gelegen buiten de horizontale en verticale begrenzing van de bodem waarop de bodemkwaliteitskaart betrekking heeft.
5. Het vooronderzoek wordt verricht volgens:
a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5725; en
b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5717.
6. Om het mogelijk te maken om in een geval als bedoeld in het derde lid toch een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart af te geven, kan een aanvullend onderzoek worden verricht naar de aanwezigheid van de volgens het vooronderzoek relevante:
a. stoffen als vermeld in bijlage B, waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft, in een concentratie die de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;
b. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters en waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft; en
c. bodemvreemd materiaal waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft.
7. Aanvullend onderzoek als bedoeld in het zesde lid worden verricht volgens:
a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5740; en
b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5720.
2. In een vooronderzoek wordt onderzocht of er redenen kunnen zijn om aan te nemen dat de bodemkwaliteitskaart die geldt voor het gebied waarin de ontgravingslocatie waarop de verklaring betrekking heeft, is gelegen, mogelijk niet representatief is voor de ontgravingslocatie en daardoor geen getrouw en actueel beeld geeft van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie.
3. Een bodemkwaliteitskaart geeft geen getrouw en actueel beeld van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie als in de bodem van de ontgravingslocatie rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijke aanwezigheid van:
a. stoffen als vermeld in bijlage B, waarover de kaart informatie geeft, als de bodem voor die stof in een slechtere kwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan op de kaart voor het gebied waarin de ontgravingslocatie ligt, is aangegeven;
b. stoffen als vermeld in bijlage B waarover de kaart geen informatie geeft, in een concentratie die waarschijnlijk de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’ overschrijdt;
c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft; en
d. bodemvreemd materiaal waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft.
4. Er is reden om aan te nemen dat sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, als:
a. de kwaliteit van de bodem door een puntbron kan zijn beïnvloed;
b. na de vaststelling of laatste actualisatie van de geldende bodemkwaliteitskaart ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, die de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie hebben kunnen beïnvloeden;
c. andere informatie voorhanden is waaruit blijkt dat de informatie die in de bodemkwaliteitskaart is opgenomen, geen representatief beeld geeft van de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie; of
d. de ontgravingslocatie is gelegen buiten de horizontale en verticale begrenzing van de bodem waarop de bodemkwaliteitskaart betrekking heeft.
5. Het vooronderzoek wordt verricht volgens:
a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5725; en
b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5717.
6. Om het mogelijk te maken om in een geval als bedoeld in het derde lid toch een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart af te geven, kan een aanvullend onderzoek worden verricht naar de aanwezigheid van de volgens het vooronderzoek relevante:
a. stoffen als vermeld in bijlage B, waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft, in een concentratie die de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;
b. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters en waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft; en
c. bodemvreemd materiaal waarover de bodemkwaliteitskaart geen informatie geeft.
7. Aanvullend onderzoek als bedoeld in het zesde lid worden verricht volgens:
a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5740; en
b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5720.