BWBR0047808
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 5.28
Regeling bodemkwaliteit 2022
1. Een verklaring op grond van een bodemonderzoek is bestemd voor eenmalig gebruik bij het toepassen van een partij grond of baggerspecie die uit de onderzochte bodemlocatie is ontgraven en waarvoor zij is afgegeven, en wordt niet afgegeven als voor de partij al een andere milieuverklaring bodemkwaliteit is afgegeven.
2. Een verklaring op grond van een bodemonderzoek wordt voor een partij grond of baggerspecie alleen afgegeven als:
a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek en bodemonderzoek volgens deze regeling zijn verricht;
b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is opgesteld;
c. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.27, eerste lid, is opgesteld;
d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.27, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.30;
e. de partij niet door samenvoeging van partijen is ontstaan;
f. de partij voor de onderzochte stoffen die in bijlage B zijn vermeld, in een kwaliteitsklasse wordt ingedeeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
g. melding wordt gemaakt van het voorkomen van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters waarvan de aanwezigheid in de partij waarschijnlijk is, de concentraties, emissies, gehalten of waarden daarvan; en
h. melding wordt gemaakt van het voorkomen van bodemvreemd materiaal en de aard en hoeveelheid daarvan.
3. In afwijking van het tweede lid, onder a, mag een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgevingin een geval als bedoeld in artikel 5.21, tweede lid, ook worden afgegeven zonder dat een bodemonderzoek is verricht als:
a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek volgens deze regeling is verricht;
b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is opgesteld;
c. uit de conclusie in het in onderdeel b bedoelde rapport blijkt dat sprake is van een partij die afkomstig is uit de territoriale zee en geen sprake is van indicaties als bedoeld in artikel 5.20, derde lid, onder b;
d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.30;
e. de partij niet door samenvoeging van partijen is ontstaan; en
f. de partij op grond van artikel 5.25, zevende lid, in de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ is ingedeeld.
4. In afwijking van het tweede lid, onder a, mag een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van verspreiding op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgevingin een geval als bedoeld in artikel 5.21, tweede lid, ook worden afgegeven zonder dat een bodemonderzoek is verricht als:
a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek volgens deze regeling is verricht;
b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is opgesteld;
c. uit de conclusie in het in onderdeel b bedoelde rapport blijkt dat sprake is een partij afkomstig uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij een waterschap en geen sprake is van indicaties als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, onder b, of van omstandigheden als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, onder c;
d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.30;
e. de partij niet door samenvoeging van partijen is ontstaan; en
f. er geen sprake is van indicaties dat de partij niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’.
2. Een verklaring op grond van een bodemonderzoek wordt voor een partij grond of baggerspecie alleen afgegeven als:
a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek en bodemonderzoek volgens deze regeling zijn verricht;
b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is opgesteld;
c. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.27, eerste lid, is opgesteld;
d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.27, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.30;
e. de partij niet door samenvoeging van partijen is ontstaan;
f. de partij voor de onderzochte stoffen die in bijlage B zijn vermeld, in een kwaliteitsklasse wordt ingedeeld, zowel voor het toepassen op of in de landbodem als voor het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam volgens paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
g. melding wordt gemaakt van het voorkomen van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters waarvan de aanwezigheid in de partij waarschijnlijk is, de concentraties, emissies, gehalten of waarden daarvan; en
h. melding wordt gemaakt van het voorkomen van bodemvreemd materiaal en de aard en hoeveelheid daarvan.
3. In afwijking van het tweede lid, onder a, mag een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgevingin een geval als bedoeld in artikel 5.21, tweede lid, ook worden afgegeven zonder dat een bodemonderzoek is verricht als:
a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek volgens deze regeling is verricht;
b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is opgesteld;
c. uit de conclusie in het in onderdeel b bedoelde rapport blijkt dat sprake is van een partij die afkomstig is uit de territoriale zee en geen sprake is van indicaties als bedoeld in artikel 5.20, derde lid, onder b;
d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.30;
e. de partij niet door samenvoeging van partijen is ontstaan; en
f. de partij op grond van artikel 5.25, zevende lid, in de kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ is ingedeeld.
4. In afwijking van het tweede lid, onder a, mag een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van verspreiding op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgevingin een geval als bedoeld in artikel 5.21, tweede lid, ook worden afgegeven zonder dat een bodemonderzoek is verricht als:
a. ten behoeve van de afgifte een vooronderzoek volgens deze regeling is verricht;
b. voor de partij een rapport als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is opgesteld;
c. uit de conclusie in het in onderdeel b bedoelde rapport blijkt dat sprake is een partij afkomstig uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij een waterschap en geen sprake is van indicaties als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, onder b, of van omstandigheden als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, onder c;
d. de partij waarop de verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de partij die in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, is beschreven, tenzij de partij is gesplitst volgens artikel 5.30;
e. de partij niet door samenvoeging van partijen is ontstaan; en
f. er geen sprake is van indicaties dat de partij niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’.